basispagina

0

…de arbowet zoals hij tot 1/11/1999 gold. Met meer aandacht voor welzijn en medezeggenschap dan zijn opvolger, de arbowet 1998.

HOOFDSTUK 1
DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED Art. 1 Art. 2 HOOFDSTUK 2
ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER Art. 3 Algemene zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid Art. 4 Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie en jaarplan Art. 4a Beleidsvoering met betrekking tot het ziekteverzuim Art. 5 Arbeidsveiligheids-rapporten Art. 6 Voorlichting en onderricht Art. 7 Voorlichting en onderricht aan jeugdige werknemers Art. 8 Begeleiding van jeugdige werknemers Art. 9 Melding en registratie van ongevallen en beroepsziekten Art. 10 Jaarverslag Art. 11 Voorkomen van gevaar voor andere personen dan werknemers HOOFDSTUK 3
ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKNEMERS Art. 12 HOOFDSTUK 4
SAMENWERKING EN OVERLEG TUSSEN WERKGEVER EN WERKNEMERS. DESKUNDIGE BIJSTAND Eerste afdeling Samenwerking en overleg Art. 13 Verplichting tot samenwerking Art. 14 Rechten van de ondernemingsraad Art. 15 Arbocommissie Art. 16 Werkoverleg Tweede afdeling Deskundige bijstand op het gebied van bescherming en preventie Art. 17 Algemene verplichting Art. 18 Bijstand op het gebied van preventie en bescherming Art. 19 Eisen van deskundigheid, uitrusting en organisatie Art. 20 Nadere regels Art. 21 Vervallen Art. 21a Algemene uitzondering Derde afdeling Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening Art. 22 Algemene verplichting Art. 23 Taken op het gebied van bedrijfshulpverlening Art. 23a Eisen van deskundigheid Art. 23b Algemene uitzondering Vierde afdeling Verplichtingen van de werkgever, andere personen en diensten Art. 23c Verplichtingen van de werkgever Art. 23d Verplichtingen van externe diensten en andere deskundigen HOOFDSTUK 5
BIJZONDERE VERPLICHTINGEN VAN WERKGEVER EN WERKNEMERS Art. 24 Regelen ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband met de arbeid Art. 24a Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek Art. 25 Verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek Art. 26 Verplichting van werkgever en werknemers HOOFDSTUK 6
VERPLICHTINGEN VAN ZELFSTANDIG WERKENDEN EN DERDEN EN ENIGE BIJZONDERE BEPALINGEN Art. 27 Verplichting van zelfstandig werkenden Art. 28 Verplichting van derden Art. 29, 30 en 31 Enige bijzondere bepalingen Art. 31a Certificatie Art. 31b Verplichtingen HOOFDSTUK 7
TOEZICHT EN AMBTELIJKE BEVELEN Art. 32 Arbeidsinspectie en voor een bijzondere taak aangewezen ambtenaren Art. 33 Verplichting tot het verstrekken van inlichtingen Art. 34 Geheimhouding Art. 35 Aanwijzing Art. 35a Aanwijzing door de Directeur-Generaal van de Arbeid Art. 36 Eis tot naleving Art. 37 Stillegging van het werk Art. 38 Werkonderbreking Art. 39 Ongeldigverklaring van bewijsstukken Art. 40 Verzoek om wetstoepassing HOOFDSTUK 8
VRIJSTELLINGEN, ONTHEFFINGEN EN BEROEP Art. 41 Art. 42 HOOFDSTUK 9
ADVIESCOLLEGES Art. 43 Vervallen Art. 44 Vervallen Art. 45 Vervallen HOOFDSTUK 10
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Art. 46 t/m 55 Art. 56 Kosten Art. 57 t/m 60 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

HOOFDSTUK I. DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1 1. In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: a. werkgever: 1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten; 2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°; b. werknemer: de ander bedoeld onder a. 2. In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt mede verstaan onder: a. werkgever: 1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten; 2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen; b. werknemer: de ander bedoeld onder a. 3. In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder “jeugdige werknemer”: een werknemer jonger dan 18 jaar. 4. In het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: “Onze Minister”: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; “districtshoofd”: het bevoegde districtshoofd van de Arbeidsinspectie onderscheidenlijk het bevoegde districtshoofd van de Inspectie van de Havenarbeid in geval dit districtshoofd krachtens artikel 32, tweede lid, is aangewezen; “Ondernemingsraad”: de ondernemingsraad, ingesteld overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde voor de onderneming waartoe het bedrijf of de inrichting behoort; 5. Waar in het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt gesproken van een ondernemingsraad, wordt een krachtens artikel 15 ingestelde arbocommissie als zodanig aangemerkt. 6. Waar in deze wet de bevoegdheid wordt verleend tot aanwijzing van bedrijven of inrichtingen dan wel delen daarvan, hetzij per categorie, hetzij individueel, omvat zulks mede de bevoegdheid tot aanwijzing van werkverbanden die niet aan een bedrijf of een inrichting gebonden zijn. Waar in deze wet de woorden “bedrijf” en “inrichting” worden gebruikt om een plaats aan te duiden, omvat dit mede een andere plaats waar werknemers arbeid verrichten. 7. In deze wet wordt onder “welzijn” uitsluitend verstaan het welzijn voor zover tot bevordering daarvan in artikel 3 eerste lid, aanhef en onder e, f, g en h alsmede krachtens artikel 24, tweede lid onder ij tot en met ad verplichtingen zijn gesteld. 8. Voor het bij of krachtens deze wet bepaalde treedt voor de toepassing van de afdelingen 3. 6 en 4. 1. 2. van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315) een ondernemingsraad in de plaats van de belanghebbende werknemers. 9. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad, wordt, in afwijking van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, van een beschikking zo spoedig mogelijk door de werkgever mededeling gedaan aan de belanghebbende werknemers. Die beschikking treedt, in afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht, voor hen niet eerder in werking dan nadat de werkgever aan de mededelingsplicht, als bedoeld in de vorige zin, heeft voldaan. Artikel 2
1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is met betrekking tot verrichtingen van leerlingen, studenten in onderwijsinrichtingen of gedeelten daarvan, open ruimten daaronder begrepen, van toepassing. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van verrichtingen van leerlingen, studenten en werknemers in bedoelde inrichtingen het bij of krachtens deze wet bepaalde of het in afdeling 4. 1. 2 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde niet van toepassing worden verklaard of kunnen andere bepalingen daarvoor in de plaats worden gesteld. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede zin wordt ons gedaan door onze Minister en de Ministers wie het mede aangaat tezamen. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot arbeid verricht in burgerlijke openbare dienst, regelen worden gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken ter aanvulling daarvan. In de eerste zin wordt onder openbare dienst begrepen de instellingen, diensten en bedrijven door de Staat en de openbare lichamen beheerd. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste zin wordt ons gedaan door onze minister en onze minister van Binnenlandse Zaken alsmede onze ministers wie het mede aangaat tezamen. 3. Bij gezamenlijk besluit van onze minister en onze ministers wie het mede aangaat kan worden bepaald dat het bij of krachtens deze wet bepaalde geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is ten aanzien van arbeid verricht in onderscheidenlijk op een luchtvaartuig, een zeeschip of een binnenvaartuig dan wel een voertuig op een openbare weg of een spoor- of tramweg. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, met betrekking tot arbeid, verricht in de gestichten bedoeld in de Beginselenwet gevangeniswezen (Stb. 1951, 596) en de Rijksinrichtingen voor de Kinderbescherming, regelen worden gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken ter aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste zin wordt ons gedaan door onze minister en onze ministers wie het mede aangaat tezamen. 5. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van arbeid verricht in militaire dienst, behoudens voor zover bij of krachtens algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. Ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband met de arbeid in militaire dienst kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, met inachtneming van het belang van de landsverdediging, regelen worden gesteld, welke afwijken van het bij of krachtens deze wet bepaalde of strekken tot aanvulling daarvan. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste of tweede zin wordt ons gedaan door onze minister en onze minister van Defensie tezamen. 6. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van arbeid: a. verricht in de ondergrondse werken van mijnen benevens in de bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, die zijn aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73); b. verricht door personen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder b, van de Mijnwet Continentaal Plat (Stb. 1965, 428); c. verricht in een arbeidsverhouding behorend tot een door onze minister aangewezen categorie, voor zover dit bij de aanwijzing is bepaald. 7. De werkgever en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens de in de voorlaatste zin van het eerste lid, het tweede, vierde of vijfde lid, tweede zin, bedoelde algemene maatregelen van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij ieder dezer maatregelen is bepaald. HOOFDSTUK II. ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER Algemene zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid
Artikel 3
1. Bij het organiseren van de arbeid, het inrichten van de arbeidsplaatsen en het bepalen van de produktie- en werkmethoden moet de werkgever het volgende in acht nemen in het kader van de zorg voor een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij de arbeid, gelet op de algemeen erkende regelen der techniek, de stand van de bedrijfsgezondheidszorg, alsmede de stand van de ergonomie en die van de arbeidskunde of bedrijfskunde: a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moet de werkgever de arbeid zodanig organiseren, de arbeidsplaatsen zodanig inrichten en zodanige produktie- en werkmethoden toepassen dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer; b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, moeten de gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt, moeten daartoe andere doelmatige maatregelen worden getroffen, waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang dienen te hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming, dienen doelmatige en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking worden gesteld; c. het gebruik van werktuigen, machines, toestellen en overige hulpmiddelen bij de arbeid alsmede van stoffen die gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer moet worden vermeden; indien zulks redelijkerwijs niet kan worden vermeden, moeten die gevaarlijke werktuigen, machines, toestellen onderscheidenlijk stoffen en overige hulpmiddelen worden gebruikt, waarbij het gevaar zo ver mogelijk is beperkt als redelijkerwijs kan worden gevergd; d. doeltreffende maatregelen moeten zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat de werknemer, indien een toestand ontstaat, waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich snel in veiligheid kan stellen dan wel andere passende maatregelen kan nemen, en ten einde te verzekeren dat, indien schade aan zijn gezondheid is toegebracht, de gevolgen hiervan zoveel mogelijk kunnen worden beperkt; e. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de arbeid gebruikte hulpmiddelen moeten zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd op ergonomisch verantwoorde wijze aan de werknemer zijn aangepast; f. bij de samenstelling en toewijzing van de onderscheiden taken moet rekening gehouden worden met de persoonlijke eigenschappen van de werknemer met betrekking tot leeftijd, geslacht, lichamelijke en geestelijke gesteldheid, ervaring, vakmanschap en kennis van de voertaal; zo dikwijls deze eigenschappen daartoe, mede gelet op de werkomstandigheden, aanleiding geven, moet voor zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd op de bevordering van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van deze werknemers speciaal toezicht worden uitgeoefend, dan wel moeten andere doelmatige voorzieningen worden getroffen; g. zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, moet de arbeid bijdragen tot de vakbekwaamheid van de werknemer en dient de werkgever het werk van de werknemer zo in te richten dat de werknemer voldoende mogelijkheden heeft om zijn werk volgens eigen inzicht, zoals dat mede bepaald wordt door zijn vakbekwaamheid, te verrichten, contact met andere werknemers te onderhouden en zich op de hoogte te stellen van het doel en het resultaat van zijn arbeid en de eisen die daaraan worden gesteld; h. ongevarieerde zich in een kort tijdsbestek herhalende arbeid en arbeid waarbij het tempo door een machine of een lopende band op een zodanige wijze wordt beheerst dat de werknemer zelf verhinderd wordt het tempo van de arbeid te beïnvloeden, moeten, zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, worden vermeden; indien dergelijke arbeid niet of onvoldoende kan worden vermeden, moet de werkgever deze door andersoortige arbeid of door pauzes regelmatig afwisselen. 2. In het kader van de zorg voor een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij of in verband met de arbeid zorgt de werkgever er voor: a. dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen seksuele intimidatie en de nadelige gevolgen daarvan; b. dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen agressie en geweld en de nadelige gevolgen daarvan. 3. Onder seksuele intimidatie, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt verstaan: ongewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag van seksuele aard waarbij tevens sprake is van een van de volgende punten: 1° onderwerping aan dergelijk gedrag wordt hetzij expliciet hetzij impliciet, gehanteerd als voorwaarde voor de tewerkstelling van een persoon; 2° onderwerping aan of afwijzing van dergelijk gedrag door een persoon wordt gebruikt of mede gebruikt als basis voor beslissingen die het werk van deze persoon raken; 3° dergelijk gedrag heeft het doel de werkprestaties van een persoon aan te tasten en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving te creëren, dan wel heeft tot gevolg dat de werkprestaties van een persoon worden aangetast en/of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving wordt gecreëerd. 4° Onder agressie en geweld, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van de arbeid. Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie en jaarplan
Artikel 4
1. Bij het voeren van zijn algemeen ondernemingsbeleid moet de werkgever dit beleid mede richten op een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn van de werknemer binnen het bedrijf of de inrichting; dat beleid behelst de middelen waarmee, en de wijze waarop deze doelstelling moet worden bereikt, en legt de onderscheiden bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast die in dit verband op de bij de werkgever werkzame personen rusten, en dient gebaseerd te zijn op een deugdelijke en op schrift gestelde inventarisatie en evaluatie van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich brengt. Onder die gevaren worden onder meer begrepen de gevaren van de werktuigen, machines, toestellen en andere hulpmiddelen bij de arbeid, de stoffen of preparaten waarmee wordt gewerkt en de inrichting van de arbeidsplaats. De inventarisatie en evaluatie dienen tevens die gevaren te omvatten, die niet kunnen worden vermeden alsmede de gevaren voor categorieën werknemers die als bijzonder kunnen worden aangemerkt. Voorts moet daarin zijn aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde gevaren en de samenhang daartussen, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 3. 2. De werkgever moet het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn regelmatig toetsen aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan. Dit beleid alsmede de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in het eerste lid, moeten worden aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring of gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven ofwel zich op het gebied van de algemeen erkende regelen der techniek of in de stand van de bedrijfsgezondheidszorg dan wel in de stand van de ergonomie en die van de arbeids- of bedrijfskunde belangrijke wijzigingen voordoen. 3. Een exemplaar van de inventarisatie en evaluatie of van een wijziging daarvan wordt door de werkgever gezonden aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten, alsmede aan de ondernemingsraad. Een exemplaar van de inventarisatie en de evaluatie behoeft niet te worden gezonden aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten, voor zover zij bijstand hebben verleend aan de inventarisatie en evaluatie en het op schrift stellen daarvan. 4. De werkgever zorgt er voor dat iedere werknemer desgewenst kennis kan nemen van de inventarisatie en evaluatie. 5. Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, moet hij een document bevattende de specifieke kenmerken van de in te nemen arbeidsplaats tijdig voor aanvang van de werkzaamheden, verstrekken aan degene die de werknemer ter beschikking stelt, ter doorgeleiding van dat document naar die werknemer. 6. In bedrijven of inrichtingen behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie moet het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn door de werkgever jaarlijks in de vorm van een schriftelijk plan voor een periode van ten minste één jaar worden vastgelegd. De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer desgewenst van het plan kennis kan nemen. Dit plan mag worden opgenomen in de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 31b, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden. 7. De werkgever moet omtrent het ondernemingsbeleid, voor zover dat van aanwijsbare invloed kan zijn op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers in het bedrijf of de inrichting, alsmede omtrent het jaarplan, vooraf overleg plegen met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. 8. Een exemplaar van het jaarplan moet door de werkgever aan het districtshoofd worden gezonden, alsmede aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten en aan de ondernemingsraad. Bij de toezending van het jaarplan aan het districtshoofd wordt mededeling gedaan van het oordeel van de ondernemingsraad, dan wel de werknemers over het jaarplan. 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel. (Zie Beleidsregel 7.3 -4 Inventarisatie en evaluatie van gevaren van arbeidsmiddelen) Beleidsvoering met betrekking tot het ziekteverzuim
Artikel 4a 1. De werkgever moet binnen het algemeen ondernemingsbeleid een beleid voeren met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemer. 2. Onderdeel van dit beleid is in ieder geval: a. het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van de werknemer, b. het begeleiden van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten. 3. Artikel 4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim. 4. Over het beleid met betrekking tot het ziekteverzuim moet dewerkgever vooraf overleg plegen met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Arbeidsveiligheidsrapporten
Artikel 5 1. De werkgever moet ervoor zorgen dat in een bedrijf, een inrichting of een deel daarvan, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, met betrekking tot dat bedrijf, die inrichting of dat deel daarvan een arbeidsveiligheidsrapport aanwezig is, bevattende: a. een beschrijving van het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, van de daarin voorkomende stoffen en de eigenschappen van deze stoffen; b. een beschrijving van het proces dat in het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan plaatsvindt, alsmede van de werking daarvan; c. een beschrijving van de redelijkerwijs voorzienbare gevaren die door storingen in het onder b bedoelde proces of door foutieve handelingen kunnen optreden tijdens alle fasen van het proces met inbegrip van het in werking stellen en het tot stilstand brengen daarvan; d. een beschrijving van hetgeen verder nodig is voor de beoordeling van de redelijkerwijs voorzienbare gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van de in dat bedrijf of die inrichting werkzame werknemers; e. een beschrijving van de technische en organisatorische voorzieningen die getroffen zijn om storingen en foutieve handelingen zoveel mogelijk te voorkomen en de ernst van de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. 2. Gelijke verplichting geldt voor de werkgever met betrekking tot een bedrijf of een inrichting of een deel daarvan, afzonderlijk door de Directeur-Generaal van de Arbeid hiertoe aangewezen. 3. Krachtens het eerste en het tweede lid kunnen slechts worden aangewezen een bedrijf, een inrichting of een deel daarvan, waarin zich bijzondere gevaren kunnen voordoen voor de veiligheid of de gezondheid van de daarin werkzame werknemers. 4. Indien in het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, een zodanige verandering wordt aangebracht of optreedt, dat het rapport niet meer voldoet aan het bij het eerste lid omtrent de inhoud bepaalde, moet het rapport dienovereenkomstig worden gewijzigd. Een zodanige wijziging dient tevens te worden aangebracht indien een verandering in het veiligheidsinzicht daartoe aanleiding geeft. 5. Van het rapport en de wijziging daarvan worden zeven afschriften aan het districtshoofd en een afschrift aan de ondernemingsraad gezonden. De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers, andere personen en diensten als bedoeld in artikel 17, desgewenst kennis kunnen nemen van het rapport. 6. Omtrent het arbeidsveiligheidsrapport en de wijziging daarvan moet vooraf overleg worden gepleegd met de ondernemingsraad. 7. Het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, aangewezen krachtens het eerste of tweede lid, mag niet in werking worden gebracht en de in het vierde lid bedoelde verandering mag niet worden doorgevoerd, alvorens aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is voldaan. 8. Bij een aanwijzing krachtens het eerste of tweede lid wordt bepaald met ingang van welk tijdstip aan de daar bedoelde verplichting, voor zover deze vóór de aanwijzing reeds in werking gebrachte bedrijven, inrichtingen of delen daarvan betreft, moet zijn voldaan. 9. Het districtshoofd zendt een afschrift van het rapport of van een wijziging daarvan ter kennisneming aan: a. de regionale inspecteur van de volksgezondheid, belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, in wiens ambtsgebied het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, waarop het rapport betrekking heeft, is gelegen; b. het hoofd van het district van de Dienst voor het Stoomwezen, in wiens ambtsgebied het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, waarop het rapport betrekking heeft, is gelegen; c. de districtsinspecteur voor het brandweerwezen, in wiens ambtsgebied het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, waarop het rapport betrekking heeft, is gelegen; d. het gezag dat ten aanzien van datgene, waarop of op het deel waarvan het rapport betrekking heeft, bevoegd is tot het verlenen van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer; e. het bestuur van de gemeente en van de provincie waarin het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan, waarop het rapport betrekking heeft, is gelegen, behalve indien dit bestuur het gezag is bedoeld onder d. 10. Het districtshoofd kan met betrekking tot de in het eerste en vierde lid bedoelde gegevens en voorzieningen aan de werkgever de eis stellen dat hem aanvullende gegevens worden verschaft dan wel andere of aanvullende voorzieningen worden getroffen. De in de eerste zin bedoelde gegevens en voorzieningen worden vermeld in een aanvulling van het rapport. Op een zodanige aanvulling zijn het vijfde en het negende lid van overeenkomstige toepassing. Een eis tot het treffen van een voorziening, die met een voorschrift dat is verbonden aan een op grond van een der wetten tot bescherming van het milieu verleende vergunning tot het oprichten, in werking brengen of houden, uitbreiden of wijzigen van een bedrijf of inrichting dan wel tot het veranderen van een daarin gebezigde werkwijze één of meer zodanige raakpunten heeft dat hij met dat voorschrift in strijd kan komen, stelt het districtshoofd niet dan na overleg met het gezag dat de vergunning heeft verleend. In verband met dit overleg hoort het gezag de inspecteur, bedoeld in het negende lid, onder a. 11. Indien het districtshoofd van oordeel is dat bij falen van de getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder e, dan wel in andere omstandigheden een bedrijfsramp kan ontstaan, kan hij de eis stellen dat met betrekking tot het bedrijf, de inrichting of het deel daarvan een stelsel van technische en organisatorische voorzieningen, dienende om de gevolgen van zulk een ramp zoveel mogelijk te beperken, wordt tot stand gebracht of een zodanig reeds tot stand gebracht stelsel wordt aangevuld of gewijzigd. De eis kan onder meer betrekking hebben op: a. de wijze van interne alarmering en de organisatie daarvan; b. de door de werknemer individueel of in groepsverband te verrichten handelingen; c. het alarmeren van betrokken overheidsinstanties en hulporganisaties; d. oefeningen, te houden volgens een vooraf vastgesteld schema. Een eis tot het tot stand brengen, aanvullen of wijzigen van een stelsel van voorzieningen dat met een gemeentelijk of regionaal rampenplan, opgesteld ten behoeve van de bevolking, een of meer raakpunten heeft, stelt het districtshoofd niet dan na overleg met het gezag dat het rampenplan heeft opgesteld. In verband met dit overleg hoort het gezag de inspecteur, bedoeld in het negende lid, onder c. 12. Onze minister kan met betrekking tot het in het eerste en elfde lid bepaalde nadere regelen stellen. 13. De werkgever is verplicht ervoor te zorgen, dat voldaan wordt aan het in het vierde tot en met zevende lid bepaalde en het krachtens het twaalfde lid bepaalde, alsmede aan een eis als bedoeld in het tiende en elfde lid. 14. Een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid of een eis als bedoeld in het tiende of elfde lid, bevat de termijn waarbinnen eraan moet worden voldaan. 15. De werking van een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid of een eis als bedoeld in het tiende of elfde lid wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Voorlichting en onderricht
Artikel 6
1. De werkgever moet ervoor zorgen dat een werknemer wanneer deze voor de eerste keer werkzaamheden voor die werkgever gaat verrichten en voorts zo dikwijls als dit in verband met de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de bevordering van het welzijn in verband met de arbeid noodzakelijk is, doeltreffend wordt ingelicht over de aard van zijn werkzaamheden en de daaraan verbonden gevaren, alsmede over de maatregelen die erop gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken. 2. De werkgever moet ervoor zorgen dat aan zijn werknemers doeltreffend en aan hun onderscheiden taken aangepast onderricht wordt verstrekt met betrekking tot de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid. Zo dikwijls de daarmee opgedane ervaring of gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding geven moet dit onderricht worden aangepast en opnieuw verstrekt. 3. Indien persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking van de werknemers worden gesteld, en indien op werktuigen, toestellen of anderszins beveiligingen zijn aangebracht, moet de werkgever zorgen dat de werknemers op de hoogte zijn van hun doel en werking en de wijze waarop zij deze dienen te gebruiken.> 4. De werkgever moet er voor zorgen dat de werknemers doeltreffend worden ingelicht over de wijze waarop de deskundige bijstand, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 23b, in zijn bedrijf of inrichting is georganiseerd. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepalen in dit artikel. (Zie Beleidsregel: Voorlichting en onderricht aan zwangere werknemers en werknemers tijdens lactatie.) Voorlichting en onderricht aan jeugdige werknemers
Artikel 7 1. De werkgever moet er voor zorgen dat de jeugdige werknemer bij de arbeid wordt betrokken op een wijze die bevorderlijk is voor diens vorming. Daartoe behoort een behoorlijke voorlichting, welke in ieder geval betreft: a. het geheel van de werkzaamheden in het bedrijf of de inrichting en de organisatie daarvan; b. de arbeidsomstandigheden in het bedrijf of de inrichting en de daar geldende gedragsregels welke voor hem van belang zijn; c. zijn taak en de eisen die hieraan worden gesteld; d. zijn vormings- en opleidingsmogelijkheden; e. de mogelijkheden van promotie en de eisen waaraan daartoe moet worden voldaan; f. het personeelsbeoordelingssysteem; g. zijn arbeidsvoorwaarden, daaronder begrepen de feitelijke arbeidstijd per dag, de onderbrekingen van de arbeidstijd, het tijdstip van aanvang en einde van de arbeid, de wijze van opneming van vakantieverlof en het systeem van beloning; h. het medisch onderzoek in verband met de tewerkstelling; i. de in het bedrijf of de inrichting geldende regelingen met betrekking tot de medezeggenschap van werknemers. 2. De in het eerste lid bedoelde voorlichting moet worden gegeven wanneer de jeugdige werknemer voor de eerste keer werkzaamheden voor die werkgever gaat verrichten en voorts met zodanige tussenpozen worden herhaald als met het oog op de persoon van de jeugdige werknemer en de aard van de arbeid die hij in het bedrijf of de inrichting verricht en de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, redelijkerwijs noodzakelijk is. 3. De werkgever verschaft aan de jeugdige werknemer een afschrift vande voorschriften, gesteld bij of krachtens de Arbeidswet 1919 met betrekking tot jeugdige personen, alsmede bij of krachtens, dan wel ter naleving van artikel 6, dit artikel en artikel 8 van deze wet. Voorts moet hij ervoor zorgen dat, indien ten aanzien van de jeugdige werknemer bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, van een verordening als bedoeld in artikel 21 ter, derde lid, van de Arbeidswet 1919 of van een arbeidsreglement van toepassing zijn, aan die werknemer een afschrift van die bepalingen wordt verschaft. 4. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van: a. een jeugdige werknemer die uitsluitend tijdens zijn vakantie in het bedrijf of de inrichting arbeid verricht; b. door onze minister aangewezen categorieČn van jeugdige werknemers. Begeleiding van jeugdige werknemers
Artikel 8 1. De werkgever moet, indien zijn bedrijf of inrichting behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, waarin tenminste een bij die maatregel bepaald aantal jeugdige werknemers arbeid pleegt te verrichten, er voor zorgen dat ten behoeve van die jeugdige werknemers één of meer mentoren werkzaam zijn al naar gelang bij die maatregel bepaald. Het in de eerste zin bedoelde aantal kan voor verschillende categorieën van bedrijven of inrichtingen verschillend worden gesteld. Voor de toepassing van de vorige zin blijven jeugdige werknemers als bedoeld in artikel 7, vierde lid, buiten beschouwing. 2. Een mentor heeft in ieder geval tot taak: a. het geven of bevorderen van de voorlichting en het onderricht, bedoeld in de artikelen 6 en 7, eerste lid, aan de jeugdige werknemers; b. het bevorderen van het leer- en vormingsproces van de jeugdige werknemers; c. het onderhouden van de contacten met instellingen op het gebied van vorming en opleiding, voor zover de jeugdige werknemers aan een cursus van een onderwijsinstelling deelnemen dan wel wensen deel te nemen. 3. Een mentor heeft voorts tot taak het geven of bevorderen van de voorlichting, bedoeld in de artikelen 6 en 7, aan personen, jonger dan 18 jaar, die overwegen als werknemer in het bedrijf of de inrichting werkzaam te zullen zijn. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald aan welke eisen van bekwaamheid de mentor moet voldoen en gedurende hoeveel tijd hij tenminste beschikbaar moet zijn. 5. Omtrent de benoeming van de mentor en het doen eindigen van diens betrekking, behoudens indien dit laatste geschiedt zonder inachtneming van een opzegtermijn wegens een dringende, aan de mentor onverwijld medegedeelde reden dan wel met diens uitdrukkelijke toestemming, wordt de ondernemingsraad in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Op het beëindigen van de dienstbetrekking van de in het bedrijf of de inrichting werkzame mentor is artikel 21, derde tot en met vijfde lid van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de derde zin van het derde lid van laatstgenoemd artikel als volgt wordt gelezen: De kantonrechter verleent de toestemming slechts indien het hem aannemelijk voorkomt dat de beČindiging geen verband houdt met feiten of omstandigheden, voortvloeiende uit een juiste taakuitoefening door de mentor. Melding en registratie van ongevallen en beroepsziekten
Artikel 9
1. Indien aan een werknemer in verband met het verrichten van arbeid een ongeval overkomt hetwelk ernstig lichamelijk dan wel geestelijk letsel of de dood ten gevolge heeft, moet de werkgever hiervan onverwijld mededeling doen aan het districtshoofd. Onder een ongeval dat een werknemer in verband met het verrichten van arbeid overkomt, is niet begrepen een ongeval dat de werknemer overkomt op weg van huis naar zijn arbeid of terug. 2. De in het eerste lid bedoelde mededeling moet de werkgever eveneens doen indien zich in een bedrijf of een inrichting een gebeurtenis heeft voorgedaan waarbij grote materiële schade is ontstaan en waarbij tevens gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van werknemers heeft bestaan. 3. De in het eerste lid bedoelde ongevallen, overige ongevallen welke enige lichamelijk dan wel geestelijk letsel ten gevolge hebben gehad, en de in het tweede lid bedoelde gebeurtenissen moet de werkgever vermelden in een register, dat in het bedrijf of in de inrichting aanwezig moet zijn. 4. Met betrekking tot de ongevallen bedoeld in het eerste lid, en de overige ongevallen, bedoeld in het derde lid, moet de werkgever een rapport opstellen dat voldoet aan een bij ministeriële regeling vast te stellen model. Het rapport moet door de werkgever zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen nadat het ongeval heeft plaatsgevonden aan onze minister worden gezonden. 5. Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op de werkgever die verplicht is tot het doen van aangifte van een ongeval bij de bedrijfsvereniging waarbij hij is aangesloten, als bedoeld in artikel 1 van het Besluit melding ongevallen en beroepsziekten. 6. Onze minister kan met betrekking tot het in dit artikel bepaalde nadere regelen stellen. 7. Onze minister kan met betrekking tot het in dit artikel bepaalde nadere regelen stellen, alsmede bepalen welke gegevens met betrekking tot ongevallen, gebeurtenissen en beroepsziekten aan het districtshoofd moeten worden meegedeeld. Jaarverslag
Artikel 10
1. De werkgever moet, indien ten aanzien van zijn bedrijf of inrichting een jaarplan is voorgeschreven als bedoeld in artikel 4, zesde lid, of indien zijn bedrijf of inrichting behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, een jaarverslag opmaken met betrekking tot de veiligheid, de bescherming van de gezondheid en de maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers in dat bedrijf of die inrichting. Dit verslag moet voldoen aan het bij of krachtens dit artikel bepaalde. Het mag worden opgenomen in de gegevens, die ingevolge artikel 31b, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden aan de ondernemingsraad moeten worden verstrekt. 2. Het jaarverslag bevat ten minste: a. een beschrijving van het beleid gericht op veiligheid, gezondheid en welzijn als bedoeld in artikel 4, eerste lid, alsmede van het ziekteverzuimbeleid, bedoeld in artikel 4a, zoals dat in het afgelopen kalenderjaar is gevoerd, onder vermelding van de wijzigingen welke daarin zijn aangebracht en de redenen voor deze wijzigingen; b. inlichtingen over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het in hoofdstuk 4 bepaalde omtrent de samenwerking en het overleg tussen werkgever en werknemers in het behartigen van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn, en omtrent de bijstand, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 23b; c. inlichtingen omtrent de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de artikelen 6, 7 en 8; d. een beschrijving van de maatregelen die getroffen zijn naar aanleiding van ongevallen of aangetoonde of vermoede beroepsziekten die zich in het bedrijf of de inrichting hebben voorgedaan onderscheidenlijk daar zijn ontstaan; e. een beschrijving van de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van een gebeurtenis als bedoeld in artikel 9, tweede lid f. een overzicht van de door de werknemers ingevolge artikel 12, onder e, gemelde gevaren; g. een vermelding van de door het districtshoofd of een andere door onze minister aangewezen ambtenaar krachtens deze wet gegeven aanwijzingen of gestelde eisen en de wijze waarop aan die aanwijzingen of eisen is voldaan; h. een cijfermatig overzicht van de ongevallen die in het bedrijf of de inrichting hebben plaatsgehad alsmede van het arbeidsverzuim als gevolg van ongevallen en ziekte benevens van de daarbij betrokken werknemers. 3. Een exemplaar van het jaarverslag moet door de werkgever zo spoedig mogelijk worden gezonden aan het districtshoofd, aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten en, voor zover de laatste zin van het eerste lid geen toepassing vindt, aan de ondernemingsraad. 4. De werkgever moet ervoor zorgen dat iedere werknemer desgewenst kennis kan nemen van het jaarverslag. 5. Onze minister kan met betrekking tot het in dit artikel bepaalde nadere regelen geven. Voorkomen van gevaar voor andere personen dan werknemers
Artikel 11
Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten, in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan enig gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, moet de werkgever doeltreffende maatregelen nemen ter voorkoming van dat gevaar. HOOFDSTUK III . ALGEMENE VERPLICHTINGEN VAN DE WERKNEMERS

Artikel 12

Onverminderd het elders bij of krachtens deze wet bepaalde zijn de werknemers verplicht in verband met de arbeid de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen ter vermijding van gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van hen zelf of van anderen dan wel met het oog op het welzijn. Met name zijn zij verplicht om: a. machines, toestellen, werktuigen, gevaarlijke stoffen, transportmiddelen en andere hulpmiddelen op de juiste wijze te gebruiken; b. de hun ingevolge deze wet ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen op de juiste wijze te gebruiken en na gebruik op de daartoe bestemde plaats op te bergen, een en ander voor zover niet krachtens deze wet is bepaald dat werknemers niet verplicht zijn beschermingsmiddelen als vorenbedoeld te gebruiken; c. de op werktuigen, toestellen of anderszins aangebrachte beveiligingen niet te veranderen of buiten noodzaak weg te halen en deze op de juiste wijze te gebruiken; d. mede te werken aan het voor hen georganiseerde onderricht bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8; e. de door hen opgemerkte gevaren voor de veiligheid of de gezondheid terstond ter kennis te brengen aan de werkgever of degene, die namens deze ter plaatse met de leiding is belast. f. de werkgever en de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, indien nodig, bij te staan bij de uitvoering van hun verplichtingen en taken op grond van deze wet. HOOFDSTUK IV. SAMENWERKING EN OVERLEG TUSSEN WERKGEVER EN WERKNEMERS, DESKUNDIGE DIENSTEN

EERSTE AFDELING. SAMENWERKING EN OVERLEG

Verplichting tot samenwerking
Artikel 13
De werkgever en de werknemers moeten samenwerken in het behartigen van de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn binnen het bedrijf of de inrichting.

Rechten van de ondernemingsraad
Artikel 14
1. Aan de leden van de ondernemingsraad dienen in verband met hun taak in het kader van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers: a. de nodige inlichtingen te worden verschaft: 1º door de in artikel 8 bedoelde mentor, door de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten en door de in artikel22 bedoelde bedrijfshulpverleners; 2º door de ambtenaren, bedoeld in artikel 32; b de mogelijkheid te worden geboden de ambtenaren, bedoeld in artikel 32, tijdens hun bezoek aan het bedrijf of de inrichting te vergezellen, behoudens voor zover deze te kennen geven dat daartegen vanwege een goede uitoefening van hun taak bezwaren bestaan; c de mogelijkheid te worden geboden zich met de in onderdeel b bedoelde ambtenaren buiten tegenwoordigheid van anderen te onderhouden. 2. Indien de ondernemingsraad een commissie heeft ingesteld aan welke hij bevoegdheden heeft overgedragen ter zake van de aangelegenheden betreffende de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers, komen de in het eerste lid genoemde rechten toe aan de leden van die commissie. Arbocommissie
Artikel 15 1. Ter bevordering van de in artikel 13 bedoelde samenwerking moeten in een bedrijf of een inrichting, aangewezen krachtens het tweede of het derde lid, gelet op de aard en de indeling daarvan, één of meer arbocommissies worden ingesteld, tenzij het bedrijf of de inrichting behoort tot een onderneming waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld. 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van bedrijven en inrichtingen aangewezen, ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt. 3. Het districtshoofd kan een bedrijf of een inrichting niet behorende tot een krachtens het tweede lid aangewezen categorie, afzonderlijk aanwijzen, ten aanzien waarvan de in het eerste lid bedoelde verplichting geldt. 4. Een arbocommissie bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken werknemers, die daartoe door die werknemers uit hun midden worden gekozen. Indien het bedrijf of de inrichting uit afdelingen bestaat waarin het in artikel 16 bedoelde overleg plaatsvindt, kiest iedere afdeling één persoon als haar vertegenwoordiger, en wel in die arbocommissie die mede ten behoeve van de werknemers van die afdeling is ingesteld. 5. Een arbocommissie beraadt zich omtrent de zorg voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers in het bedrijf of de inrichting, pleegt regelmatig overleg daaromtrent met de werkgever en adviseert hem dienaangaande. 6. Ten aanzien van een arbocommissie onderscheidenlijk de leden van een arbocommissie zijn de artikelen 17, 18, eerste en tweede lid, en 31, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing. 7. Een arbocommissie kan één of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp of tot het uitbrengen van een schriftelijk advies. Indien de deskundige hiervoor kosten in rekening brengt, behoeft de arbocommissie voor de uitnodiging de toestemming van de werkgever. De werkgever geeft zijn toestemming, indien de kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de arbocommissie. 8. Ten aanzien van de leden en de gewezen leden van een arbocommissie is artikel 21, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing. Op het beëindigen van de dienstbetrekking van de leden van een arbocommissie onderscheidenlijk werknemers die korter dan twee jaar geleden lid zijn geweest van een arbocommissie zijn het tweede en vijfde onderscheidenlijk derde tot en met vijfde lid van artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing. 9. Ten aanzien van de naleving van het zesde lid, het zevende lid en de eerste zin van het achtste lid zijn de artikelen 7, 18 vijfde lid, 21, eerste lid, tweede volzin, en 36, tweede lid, en zesde lid, eerste en tweede volzin, van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.

10. De werking van een aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Werkoverleg
Artikel 16 1. Indien een bedrijf of een inrichting uit afdelingen bestaat, die als een werkeenheid kunnen worden beschouwd, moet in elk van die afdelingen, voor zover de veiligheid, de gezondheid of het welzijn van de betrokken werknemers dat vereist, regelmatig overleg worden gepleegd tussen degene die met de leiding van die afdeling is belast en de in die afdeling werkzame personen. Het overleg mag ook plaatsvinden met personen die daartoe door de betrokken werknemers uit hun midden worden gekozen. Deze verplichting geldt ten aanzien van een bepaalde afdeling niet, indien de werkgever een arbocommissie heeft ingesteld die uitsluitend werkzaam is ten behoeve van de werknemers van die afdeling.

2. Aan het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan indien de ondernemingsraad voor de afdeling een onderdeelcommissie heeft ingesteld, die een taak heeft welke het in het eerste lid bepaalde omvat.

TWEEDE AFDELING – DESKUNDIGE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN PREVENTIE EN BESCHERMING

Algemene verplichting
Artikel 17
1. De werkgever laat zich ten aanzien van zijn verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door: a. een of meer deskundige werknemers, al dan niet georganiseerd in een dienst; b. een of meer andere deskundige personen; c. een of meer diensten bestaande uit andere deskundige personen, dan wel d. een combinatie van deskundige werknemers, andere deskundige personen of diensten als bedoeld in de onderdelen a, b en c. 2. De werkgever neemt zodanige maatregelen en richt de werkzaamheden zodanig in dat de uitoefening van de taken van de in het eerste lid bedoelde deskundige werknemers, deskundige personen of diensten op elkaar worden afgestemd. 3. De werkgever pleegt omtrent een door hem voorgenomen besluit met betrekking tot de wijze waarop hij uitvoering geeft aan het eerste lid vooraf overleg met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Bijstand op het gebied van preventie en bescherming
Artikel 18
1. Het verlenen van bijstand bij de uitvoering van de verplichtingen op grond van deze wet door de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten, houdt in elk geval in: a. het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen van de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, waaronder mede begrepen het adviseren daaromtrent; b. de bijstand bij de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten, bedoeld in artikel 4a; c. het uitvoeren van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, bedoeld in artikel 24a; d. het adviseren aan onderscheidenlijk nauw samenwerken met de werkgever, de werknemers en de ondernemingsraad inzake de genomen en de te nemen maatregelen, gericht op een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn van de werknemers binnen het bedrijf of de inrichting; e. de uitvoering van de in onderdeel d bedoelde maatregelen dan wel de medewerking daaraan; f. het houden van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur. 2. De werkgever laat zich met betrekking tot de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en c en f bijstaan door ten minste een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a of c, ten behoeve waarvan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 a door Onze Minister dan wel een door Onze Minister aangewezen instelling, een certificaat is afgegeven. 3. Indien de werkgever zich ten aanzien van de begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten, laat bijstaan door: a. een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, legt hij de wijze waarop deze bijstand plaatsvindt en de inhoud daarvan schriftelijk vast; b. een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, blijkt de wijze waarop de bijstand plaatsvindt en de inhoud daarvan uit een schriftelijke overeenkomst met de desbetreffende dienst. 4. Een afschrift van een advies, op grond van het eerste lid, onderdeel a of d, verstrekt aan de werkgever dan wel de ondernemingsraad, wordt door de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, gezonden aan de andere partij. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad zorgt de werkgever er voor dat de inhoud van een aan hem gericht advies zo spoedig mogelijk ter kennis van de belanghebbende werknemers wordt gebracht. Eisen van deskundigheid, uitrusting en organisatie
Artikel 19 1. De werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar en zonodig zodanig georganiseerd, dat zij de in artikel 18 genoemde bijstand naar behoren kunnen verlenen. 2. De in artikel 17 bedoelde werknemers verlenen hun bijstand met behoud van hun zelfstandig oordeel op het gebied van hun deskundigheid en van hun onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever. Zij mogen uit hoofde van een juiste taakuitoefening niet worden benadeeld in hun positie in het bedrijf of de inrichting. Artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1990, 93) is van overeenkomstige toepassing. Op het beëindigen van de dienstbetrekking van deze werknemers is artikel 8, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

3. De werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, werken bij het verlenen van bijstand aan een werkgever samen.

Nadere regels
Artikel 20 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in artikel 18, eerste tot en met derde lid en 19, eerste en tweede lid. Deze regels kunnen voor verschillende categorieën bedrijven of inrichtingen dan wel onderdelen daarvan verschillend worden gesteld, afhankelijk van de grootte van die bedrijven of inrichtingen dan wel de gevaren die zich daarin kunnen voordoen voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de daarin werkzame werknemers, daaronder begrepen de gevaren voor categorieën werknemers die als bijzonder kunnen worden aangemerkt.

2. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van onze minister te brengen. Het ontwerp wordt gelijktijdig met de in de eerste volzin bedoelde bekendmaking overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 21 – vervallen

Algemene uitzondering
Artikel 21a
Artikel 17, eerste lid, geldt, behoudens wat de in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, b, c en f bedoelde taken betreft, niet ten aanzien van de werkgever die natuurlijk persoon is met niet meer dan 15 werknemers, mits hij beschikt over voldoende deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting om deze taken naar behoren te vervullen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting.

DERDE AFDELING – DESKUNDIGE BIJSTAND OP HET GEBIED VAN BEDRIJFSHULPVERLENING

Algemene verplichting
Artikel 22 1. Bij de uitvoering van zijn verplichtingen op grond van artikel 3, onderdeel d, dient de werkgever zich te laten bijstaan door een of meer werknemers die door hem zijn aangewezen als bedrijfshulpverleners.

2. De werkgever pleegt omtrent de door hem voorgenomen aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, vooraf overleg met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers.

Taken op het gebied van bedrijfshulpverlening
Artikel 23
1. Het verlenen van de bijstand bij de uitvoering van de verplichtingen op grond van artikel 3, onderdeel d, bedoeld in artikel 22, door de aldaar bedoelde bedrijfshulpverleners houdt in elk geval in: a. het verlenen van eerste hulp bij ongevallen; b. het beperken en bestrijden van brand en het voorkomen en beperken van ongevallen; c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of de inrichting; d. het alarmeren van en samenwerken met de gemeentelijke brandweer en andere hulpverleningsorganisaties in verband met de in de onderdelen a tot en met c bedoelde bijstand. 2. De bedrijfshulpverleners werken bij de uitvoering van hun taken samen. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid bedoelde bijstand. Artikel 20, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. 4. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het derde lid wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen een bij die bekendmaking te stellen termijn opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van onze minister te brengen. Het ontwerp wordt gelijktijdig met de in de eerste volzin bedoelde bekendmaking overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal. Eisen van deskundigheid
Artikel 23a 1. De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd, dat zij de in de artikel 23 genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. Artikel 20, eerste lid tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Algemene uitzondering
Artikel 23b
Artikel 22, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de werkgever die natuurlijk persoon is met niet meer dan 15 werknemers, mits hij beschikt over voldoende deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting om deze taken naar behoren te vervullen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de deskundigheid, ervaring, tijd en uitrusting.

VIERDE AFDELING – VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVER, ANDERE PERSONEN EN DIENSTEN

Verplichtingen van de werkgever
Artikel 23c
1. Overeenkomstig het bij en krachtens dit hoofdstuk bepaalde: a. zorgt de werkgever er voor dat in de daartoe aangewezen bedrijven of inrichtingen een of meer arbocommissies worden gevormd voor zover er geen ondernemingsraad aanwezig is en bevordert hij overleg in de afdelingen; b. zorgt de werkgever er voor dat hij zich laat bijstaan door werknemers, andere personen of diensten als bedoeld in artikel 17, die voldoen aan de bij en krachtens artikelen 19 en 20 gestelde eisen; c. zorgt de werkgever er voor dat door de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten bijstand wordt verleend en adviezen worden toegezonden zoals voorgeschreven bij en krachtens de artikelen 18 en 20; d. is in geval van toepassing van de artikelen 21a en 23b de werkgever verplicht om aan de krachtens dat artikel gestelde eisen te voldoen; e. zorgt de werkgever er voor dat door de bedrijfshulpverleners bijstand wordt verleend zoals voorgeschreven bij of krachtens artikel 23 en dat wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 23a gesteld eisen; f. zorgt de werkgever er voor dat aan de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, en aan de bedrijfshulpverleners, de benodigde informatie wordt verstrekt in verband met de verlening van bijstand; g. zorgt de werkgever er voor dat de werknemers, bedoeld in artikel 17, desgewenst er van op de hoogte worden gesteld dat werknemers voor de eerste keer werkzaamheden voor de werkgever gaan verrichten; h. neemt de werkgever zodanige maatregelen en richt hij de werkzaamheden zodanig in dat de werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, en de bedrijfshulpverleners hun bijstand naar behoren kunnen verlenen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 18, derde lid, draagt de werkgever er zorg voor dat schriftelijk is vastgelegd welke werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, en welke bedrijfshulpverleners, bedoeld in artikel 22, bij de verlening van de in artikel 18, respectievelijk artikel 23 bedoelde bijstand zijn betrokken, wie daarbij de feitelijke leiding heeft en welke middelen hun daarbij ten dienste staan. 3. Indien de werkgever besluit om een op grond van artikel 18, eerste lid, onderdeel a of d, uitgebracht advies niet te volgen, doet hij daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de ondernemingsraad. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad brengt de werkgever de inhoud van zijn besluit zo spoedig mogelijk ter kennis van de belanghebbende werknemers. 4. De werkgever doet van elk document, dat op grond van het bepaalde bij deze wet door de ambtenaars van de Arbeidsinspectie, de Directeur-Generaal van de Arbeid dan wel onze minister aan hem is toegezonden, een afschrift toekomen aan de betrokken werknemers, andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17. Verplichtingen van externe diensten en andere deskundigen
Artikel 23d
De andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, zijn verplicht de hun uit hoofde van artikel 18 opgedragen bijstand naar behoren te vervullen en de bij en krachtens de artikelen 19 en 20 vastgestelde voorschriften na te leven.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE VERPLICHTINGEN VAN WERKGEVER EN WERKNEMERS

Regelen ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn in verband met de arbeid
Artikel 24
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld ter verzekering van de veiligheid, ter bescherming van de gezondheid en ter bevordering van het welzijn van de werknemers in verband met de arbeid. De ontwerptekst van een algemene maatregel van bestuur wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant, alvorens hij om advies wordt gezonden aan de Raad van State. 2. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op: a. de afmetingen, de inrichting en de veilige staat van gebouwen, terreinen, schepen en andere arbeidsplaatsen; b. verkeerswegen binnen een bedrijf of een inrichting; c. vluchtwegen in verband met mogelijke gevaren; d. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand of ontploffing en de beveiliging tegen deze gevaren; e. de beveiliging tegen de gevaren, verbonden aan het gebruik van elektriciteit; f. de beveiliging tegen stralingsgevaar; g. de toetreding van daglicht; h. de beveiliging tegen gevaar van het werken onder overdruk; i. de verlichting; j. de temperatuur en het klimaat; k. de luchtverversing; l. het ontstaan en de verspreiding van gassen, dampen, nevels of stof; m. de zindelijkheid; n. het verschaffen van drinkwater of andere dranken; o. geluid en trillingen; p. dag- en nachtverblijven, schuilgelegenheden en rustruimten; q. kleding, kledingbergplaatsen, kleedruimten, toiletten en wasgelegenheden; r. zitgelegenheden; s. het gebruik van, de omgang met of de opslag van gevaarlijke stoffen; t. de deugdelijkheid, de opstelling, het gebruik en de beveiliging van installaties, machines, werktuigen, toestellen, gereedschappen, reservoirs, transportmiddelen en andere middelen die betrokken zijn bij of verband houden met het verrichten van arbeid; u. persoonlijke beschermingsmiddelen; v. het voorkomen van ongevallen; w. het voorkomen van vergiftiging, besmetting of beroepsziekten; x. de taal waarin veiligheidsaanduidingen of gebruiksaanwijzingen zijn gesteld; ij. communicatiemogelijkheden van werknemers die gečsoleerd arbeid verrichten; z. informatieverschaffing inzake doel en resultaat van de arbeid. aa. het werktempo, de inhoud en organisatie van de arbeid, alsmede de ergonomische aspecten van de arbeid voor zover niet betrekking hebbend op de veiligheid en de gezondheid; ab. de andere onderwerpen dan die genoemd in de onderdelen ij tot en met aa, welke worden bestreken door artikel 3, eerste lid, onder f, voor zover niet betrekking hebbend op de veiligheid en de gezondheid, en h; ac. het uitzicht naar buiten; ad. kantines en schaftgelegenheden. ae. seksuele intimidatie en agressie en geweld, bedoeld in artikel 3, tweede lid. 3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen ten aanzien van alle of bepaalde arbeid alsmede in verband met onderwerpen, als bedoeld in het tweede lid, betrekking hebben op: a. de ergonomische aspecten van de arbeid voor zover betrekking hebbend op de veiligheid en de gezondheid, de wijze waarop voor het overige de arbeid wordt verricht en de overige arbeidsomstandigheden; b. de ergonomische vereisten waaraan werktuigen, machines, toestellen en andere hulpmiddelen bij de arbeid moeten voldoen; c. het beperken van de gevolgen van brand, van ontploffing, van straling en van verspreiding van gassen, dampen, nevels of stof; d. de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, ervaring, deskundigheid en leeftijd van personen; e. het bij de arbeid uitoefenen van deskundig toezicht, de aanwezigheid daarbij van deskundige hulp en de taak van de met zodanig toezicht of zodanige hulp belaste personen f. vereisten waaraan moet zijn voldaan bij het verrichten van arbeid; g. het verrichten van onderzoekingen, beproevingen of metingen, het uitreiken van bewijsstukken omtrent het resultaat daarvan; h. de aanwezigheid van bewijsstukken; i. het registreren, melden en bewaren van gegevens; j. het bij zich dragen van een middel tot herkenning van aan de arbeid verbonden gevaren k. de aanwezigheid van instructies, gebruiksaanwijzingen en waarschuwingen; l. de wijze van verpakking en kenmerking van voorwerpen of stoffen; m. de duur van de arbeid in verband met de daaraan verbonden gevaren; n. het verschuldigd zijn van de kosten als gevolg van de toepassing van het krachtens dit lid bepaalde. 4. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen inhouden: a. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te verrichten of te doen verrichten waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden; b. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven arbeid te verrichten of te doen verrichten, indien met betrekking tot die arbeid niet aan de bij of krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden of voorschriften is voldaan; c. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, waaraan bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden; d. een verbod om bepaalde bij die maatregel omschreven gevaarlijke stoffen of voorwerpen voorhanden te hebben, indien met betrekking tot die stoffen of voorwerpen niet aan de bij of krachtens die maatregel vastgestelde voorwaarden of voorschriften is voldaan. 5. Regelen als bedoeld in het eerste lid ter voorkoming of bestrijding van silicose of andere stoflongziekten danwel andere ziekten die het gevolg kunnen zijn van het inademen van stofdeeltjes, kunnen mede strekken tot bescherming van de gezondheid van anderen dan werknemers. 6. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op andere onderwerpen dan die welke zijn genoemd in het tweede en derde lid, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen die betrekking hebben op de bescherming tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten of op de arbeidshygiëne. Periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 24a 1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24 en 25, stelt de werkgever de werknemers periodiek in de gelegenheid een onderzoek te ondergaan, dat erop is gericht de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De werkgever pleegt op grond van de resultaten van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde inventarisatie en evaluatie, vooraf overleg met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers, omtrent de periodiciteit van het onderzoek. 2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet, in geval op grond van artikel 25, eerste lid, een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek is voorgeschreven, dan wel voor zover op grond van enig ander wettelijk voorschrift de werknemers een verplicht, periodiek onderzoek ondergaan dat erop is gericht de risico’s die de arbeid voor de gezondheid van de werknemers met zich brengt zo veel mogelijk te voorkomen.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Verplicht arbeidsgezondheidskundig onderzoek
Artikel 25
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat arbeid of bepaalde bij of krachtens die algemene maatregel omschreven arbeid dan wel arbeid onder bepaalde omstandigheden door werknemers of bepaalde groepen van werknemers slechts mag worden verricht nadat zij arbeidsgezondheidskundig zijn onderzocht. De algemene maatregel kan bepalen dat dit arbeidsgezondheidskundig onderzoek na de tewerkstelling bij tussenpozen moet worden herhaald en om bijzondere redenen ook na beëindiging van de arbeid moet worden voortgezet. 2. De algemene maatregel kan het verrichten van arbeid in het algemeen of van arbeid, als bedoeld in het eerste lid, door werknemers beneden de leeftijd van 18 jaar afhankelijk stellen van het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. 3. De algemene maatregel kan het verrichten van arbeid, als bedoeld in het eerste lid, door werknemers van 18 jaar of ouder slechts afhankelijk stellen van het resultaat van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek voor zover die arbeid bijzondere gevaren medebrengt voor het leven of de gezondheid van henzelf of van andere personen of voor zover dit om andere bijzondere redenen geboden is. 4. De Directeur-Generaal van de Arbeid is bevoegd te eisen dat door hem te bepalen groepen van werknemers arbeidsgezondheidskundig worden onderzocht indien hij, gelet op de aard van de arbeid en de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, van mening is dat dit onderzoek in het belang van de gezondheid van de betrokken werknemers of om andere bijzondere redenen noodzakelijk is. 5. Het districtshoofd is bevoegd te eisen dat een werknemer arbeidsgezondheidskundig wordt onderzocht indien hij, gehoord een geneeskundig inspecteur van de arbeid en gelet op de aard van de arbeid of de omstandigheden waaronder deze wordt verricht, van mening is dat dit onderzoek in het belang van de gezondheid van de betrokken werknemers of van andere personen noodzakelijk is. 6. Hetgeen in het tweede en derde lid is bepaald met betrekking tot het resultaat van het aldaar bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek, is van overeenkomstige toepassing op het resultaat van het in het vierde en vijfde lid bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek. 7. De kosten van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in het eerste, vierde en vijfde lid, komen ten laste van de werkgever voor wie de onderzochte persoon arbeid verricht of gaat verrichten, onderscheidenlijk heeft verricht, tenzij bij algemene maatregel van bestuur anders is bepaald. 8. Met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek en de wijze waarop de uitslag daarvan wordt verwerkt worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld. Deze hebben in ieder geval betrekking op de gevallen waarin en de wijze waarop de belanghebbende, die een arbeidsgezondheidskundig onderzoek heeft ondergaan, een verzoek tot herkeuring kan doen. De uitslag van het onderzoek als bedoeld in de eerste zin en de verwerking ervan worden ter beschikking gesteld van de desbetreffende werknemer, zijn huisarts, de bedrijfsarts alsmede van de werkgever voorzover de uitslag verband houdt met de Arbeidsomstandighedenwet en met uitsluiting van gegevens van persoonlijke aard inzake de belanghebbende die het onderzoek heeft ondergaan. 9. Met betrekking tot het in dit artikel bedoelde arbeidsgezondheidskundig onderzoek kan een eis worden gesteld ten aanzien van: a. de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit onderzoek moet worden verricht; b. de persoon of personen door wie of onder wier leiding dit onderzoek moet worden gedaan. 10. Tot het stellen van een eis als bedoeld in het negende lid zijn bevoegd: a. het districtshoofd, gehoord een geneeskundig inspecteur van de arbeid; b. de Directeur-Generaal van de Arbeid. Verplichting van werkgever en werknemers
Artikel 26 1. De werkgever en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften of verboden welke bij of krachtens de in dit hoofdstuk bedoelde algemene maatregelen van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij ieder dezer maatregelen is bepaald.

2. De werkgever is verplicht tot naleving van eisen als bedoeld in artikel 25, vierde, vijfde en negende lid.

HOOFDSTUK VI. VERPLICHTINGEN VAN ZELFSTANDIG WERKENDEN EN DERDEN EN ENIGE BIJZONDERE BEPALINGEN

Verplichting van zelfstandig werkenden
Artikel 27 1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat daarbij aangewezen voorschriften, gegeven krachtens artikel 24 of 25, voor zover zij betrekking hebben op bij of krachtens die maatregel omschreven arbeid of op arbeid onder bij of krachtens die maatregel omschreven omstandigheden, wanneer aan die arbeid bijzondere gevaren voor de veiligheid of de gezondheid zijn verbonden, mede moeten worden nageleefd door personen die deze arbeid verrichten zonder werkgever of werknemer te zijn in de zin van deze wet. Regelen als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, kunnen zich mede richten tot personen die niet werkgever of werknemer in de zin van deze wet zijn.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat personen als bedoeld in het eerste lid, mede verplicht zijn tot naleving van de voorschriften of verboden welke bij of krachtens die maatregel zijnvastgesteld ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen met betrekking tot de bevordering van de verbetering van het arbeidsmilieu.

Verplichtingen van derden
Artikel 28
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de verplichting tot naleving van daarbij aangewezen zich tot de werkgever richtende voorschriften, vastgesteld krachtens artikel 24 dan wel ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen met betrekking tot bevordering van de verbetering van het arbeidsmilieu, in de gevallen bij die maatregel omschreven rust op een ander dan de werkgever. Aangewezen kunnen worden de eigenaar of beheerder dan wel degene die anderszins bevoegd is te beslissen over het ontwerp, de vervaardiging dan wel het onderhoud van: a. schepen, vaartuigen of andere vervoermiddelen; b. gebouwen, inrichtingen, installaties, terreinen of andere ruimten; c. gereedschappen, installaties, machines, werktuigen of andere hulpmiddelen bij de arbeid, een en ander zoals zo nodig nader bij die maatregel bepaald. Een aanwijzing brengt geen wijziging in de burgerrechtelijke verplichtingen van de werkgever jegens de werknemer met betrekking tot zaken als bedoeld onder a tot en met c. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het degene op wie krachtens een maatregel als bedoeld in het eerste lid een verplichting is gelegd, verboden is aan een werkgever: a. toestemming te geven op, aan of in zaken als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, door werknemers arbeid te doen verrichten; b. zaken als bedoeld in het eerste lid, onder c, voor het doen verrichten van arbeid door werknemers ter beschikking te doen stellen, indien niet bij die maatregel omschreven bewijsstukken met betrekking tot die zaken aanwezig zijn, een en ander zoals zo nodig bij of krachtens die maatregel nader bepaald. Enige bijzondere bepalingen
Artikel 29
Indien twee of meer personen, zonder werknemer te zijn, gezamenlijk arbeid verrichten, waarop de krachtens artikel 24 gegeven voorschriften of gestelde verboden betrekking hebben, worden zij voor de toepassing van de artikelen 26, 32, derde lid, laatste zin, 33 en 36 ten aanzien van die voorschriften of verboden als werkgever en werknemer beschouwd, tenzij één van hen kennelijk met de leiding is belast, in welk geval deze als werkgever en de overigen als werknemer worden beschouwd.

Artikel 30 1. Indien in een bedrijf of een inrichting meerdere werkgevers arbeid doen verrichten, moeten zij onderling op doelmatige wijze samenwerken ten einde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren. 2. Alvorens werkzaamheden behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie aanvangen moeten de werkgevers ervoor zorgen dat schriftelijk is vastgelegd op welke wijze zal worden samengewerkt, welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend.

3. Onze minister kan met betrekking tot het in het tweede lid bepaalde nadere regelen stellen.

Artikel 31
Indien de werkgever aan werknemers, niet zijnde bestuurders, toezichthoudende taken opdraagt in verband met het bij of krachtens deze wet bepaalde, moet hij ervoor zorgen dat: a. aan deze werknemers de bevoegdheden en middelen worden verleend die nodig zijn voor een goede uitoefening van die taken; b. slechts één werknemer wordt belast met eenzelfde taak als vorenbedoeld. De opdracht moet de taken nauwkeurig omschrijven. Zij moet in een geschrift zijn neergelegd, onder vermelding van de naam van de werknemer. Certificatie
Artikel 31a
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan werkgevers, werknemers, andere natuurlijke of rechtspersonen of instellingen in het bezit moeten zijn van een of meer certificaten waaruit blijkt dat zij voldoen aan voorschriften gesteld bij of krachtens deze wet. 2. Onze minister dan wel een door onze minister daartoe aangewezen instelling beslist op aanvraag over de afgifte van een certificaat. Zij zijn tevens bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken. 3. Aan een aanwijzing krachtens het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden. 4. Een certificaat wordt afgegeven voor een beperkte tijdsduur. Aan een certificaat kunnen voorschriften worden verbonden. De bedoelde beperking en de voorschriften worden in het certificaat vermeld. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld onder meer met betrekking tot: a. de gronden waarop de in het tweede lid bedoelde aanwijzing kan worden ingetrokken dan wel gewijzigd b. de wijze waarop de aanvraag om een certificaat moet worden gedaan en de gegevens die daarbij van de aanvrager kunnen worden verlangd; c. de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat kan worden ingetrokken, en d. de vergoeding die verschuldigd is voor de afgifte van een certificaat en de wijze van betaling daarvan. Verplichtingen
Artikel 31b
1. De in artikel 31a, tweede lid, bedoelde instellingen zijn verplicht tot naleving van de krachtens artikel 31a, derde lid, gestelde voorschriften. 2. De in artikel 31a, eerste lid, bedoelde werkgevers, werknemers, en andere natuurlijke of rechtspersonen of instellingen zijn verplicht tot naleving van: a. de voorschriften, bedoeld in artikel 31a, vierde lid; b. de voorschriften die bij of krachtens de in artikel 31a, eerste lid en vijfde lid, bedoelde algemene maatregelen van bestuur zijn vastgesteld, voor zover en op de wijze als bij ieder dezer maatregelen is bepaald. HOOFDSTUK VII. TOEZICHT EN AMBTELIJKE BEVELEN Arbeidsinspectie en voor een bijzondere taak aangewezen ambtenaren
Artikel 32
1. De ambtenaren der Arbeidsinspectie door Onze Minister aangewezen krachtens artikel 77 der Arbeidswet 1919, zijn in het door hem aangewezen ambtsgebied belast met de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde en de medewerking aan de uitvoering daarvan. 2. Onze Minister kan met betrekking tot door hem aangewezen categorieën van arbeid de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde en de medewerking aan de uitvoering ervan opdragen of mede opdragen aan andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Indien de opdracht wordt verleend aan ambtenaren ressorterende onder het departement van een andere dan Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit genomen door Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat tezamen. 3. De in dit artikel bedoelde ambtenaren hebben toegang tot elke plaats en zijn bevoegd alle onderzoekingen en handelingen te verrichten voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun in dit artikel bedoelde taak nodig is. De in de vorige zin bedoelde onderzoekingen en handelingen omvatten met name: a. het verrichten van beproevingen en metingen; b. het maken van tekeningen en fotografische opnamen; c. het nemen van monsters van stoffen of voorwerpen; d. het voor nader onderzoek medenemen van voorwerpen of gedeelten daarvan. Bij gebruikmaking van hun onder c en d vermelde bevoegdheid verstrekt de ambtenaar desgevraagd aan de werkgever onderscheidenlijk de natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in de artikelen 27 en 28, een deugdelijk bewijsstuk van de door hem verrichte handeling. 4. De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn voorts bevoegd te allen tijde ter zake van een ongeval een onderzoek in te stellen. 5. De in dit artikel bedoelde ambtenaren maken een rapport op naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in het derde en vierde lid en zenden dit aan de werkgever en aan de ondernemingsraad. 6. De in dit artikel bedoelde ambtenaren geven zo spoedig mogelijk gehoor aan het verzoek om een onderzoek in te stellen, gedaan door de ondernemingsraad of bij het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers. Bij het ontbreken van de ondernemingsraad kan mede een verzoek als bedoeld in de eerste zin worden gedaan door een vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is en in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid. De in dit artikel bedoelde ambtenaren geven zo spoedig mogelijk gehoor aan een verzoek als bedoeld in de tweede zin. Verplichting tot verstrekken van inlichtingen
Artikel 33 1. De werkgever, de werknemers, en de andere personen of diensten bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, alsmede de in artikel 27 en 28 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen zijn verplicht aan de in artikel 32 bedoelde ambtenaren alle door hen verlangdegegevens en inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde. Desverlangd moeten deze gegevens en inlichtingen schriftelijk binnen een door deze ambtenaren gestelde termijn worden verstrekt.

2. De werkgever en de andere personen of diensten bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdelen b en c, alsmede de in artikel 27 en 28 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen zijn verplicht om aan de in artikel 32 bedoelde ambtenaren in het belang van de vervulling van hun taak gelegenheid te geven de daar bedoelde onderzoekingen en handelingen te verrichten en hun daarbij alle hulp te verlenen, welke deze ambtenaren redelijkerwijs kunnen verlangen.

Geheimhouding
Artikel 34 1. De in artikel 32 bedoelde ambtenaren zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit kracht van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen der personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een overtreding van het bij of krachtens deze wet bepaalde, behoudens wanneer deze personen hun schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bezwaar te hebben. 2. – vervallen

3. De in artikel 5, negende lid, bedoelde gezagsdragers zijn verplicht tot geheimhouding van gegevens, waarover zij krachtens artikel 5 de beschikking krijgen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht.

Aanwijzing
Artikel 35
1. Indien het districtshoofd van oordeel is, dat een of meer van de in het zesde of achtste lid bedoelde bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, is hij bevoegd de werkgever respectievelijk de andere personen of diensten, bedoeld in artikel 17, eerste lid onderdelen b en c, een aanwijzing te geven. Hij gaat hiertoe in de gevallen, bedoeld in het achtste lid, niet over dan nadat hem hiertoe een verzoek is gedaan overeenkomstig artikel 40. 2. In de aanwijzing geeft het districtshoofd aan op welke punten het bij of krachtens deze wet bepaalde naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze wordt nageleefd, benevens de maatregelen welke naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om daaraan te voldoen. 3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan. 4. De werkgever respectievelijk de andere personen of diensten, bedoeld in artikel 17, eerste lid onderdelen b en c, zijn verplicht aan de aanwijzing te voldoen. De werknemers zijn verplicht aan de aanwijzing te voldoen voor zover deze betrekking heeft op een verplichting die bij of krachtens deze wet aan werknemers is opgelegd. De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld. 5. De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 6. Een aanwijzing kan strekken ter naleving van het bepaalde bij of krachtens: a. artikel 2, voor zover zulks bij de krachtens dat artikel gestelde regelen is bepaald; b. artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot en met f; c. artikel 4; d. artikel 4a, eerste en vierde lid; e. artikel 6; f. artikel 7; g. artikel 8, eerste tot en met vierde lid; h. artikel 9, derde lid; i. artikel 10; j. artikel 12, onderdelen a tot en met f; k. artikel 14; l. artikel 15, eerste, vierde en vijfde lid; m. artikel 16, eerste lid; n. artikel 17; o. artikel 18; p. artikel 19; q. artikel 20; r. artikel 21a; s. artikel 22; t. artikel 23; u. artikel 23a; v. artikel 23b; w. artikel 23c, eerste lid onder h; x. artikel 24, voor zover zulks bij de krachtens dat artikel gestelde regelen is bepaald; y. artikel 24a; z. artikel 30; aa. artikel 31. 7. Een aanwijzing van het districtshoofd kan uitsluitend strekken ter naleving van de artikelen 18, 19 en 20, voor zover de Directeur-Generaal van de Arbeid geen aanwijzing kan geven op grond van artikel 35a. 8. Een aanwijzing kan voorts strekken ter naleving van: a. artikel 3, eerste lid, onder g en h; b. artikel 13. Aanwijzing door de Directeur-Generaal van de Arbeid
Artikel 35a 1. Indien de Directeur-Generaal van de Arbeid van oordeel is dat een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a of c, ten behoeve waarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 31a door onze minister een certificaat is afgegeven, de artikelen 18 en 19 dan wel de krachtens artikel 20 gestelde regels niet, onjuist of op onvoldoende wijze naleeft, is hij bevoegd de werkgever, in geval sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, dan wel de dienst, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, een aanwijzing te geven. 2. In de aanwijzing geeft de Directeur-Generaal van de Arbeid aan op welke punten het in artikel 18 en 19, dan wel krachtens artikel 20 bepaalde naar zijn oordeel niet, onjuist of in onvoldoende mate wordt nageleefd. Tevens geeft hij aan welke maatregelen noodzakelijk zijn voor goede naleving van hetgeen in die artikelen is bepaald. 3. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen er aan moet zijn voldaan.

4. De werkgever, in geval sprake is van een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel a, dan wel de dienst, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel c, is verplicht aan de aanwijzing te voldoen.

Eis tot naleving
Artikel 36
1. Het districtshoofd of een andere door Onze Minister aangewezen ambtenaar kan aan een werkgever een eis stellen betreffende de wijze waarop één of meer regelen, gesteld krachtens artikel 2 of 24, moeten worden nageleefd, voor zover zulks bij die regelen is bepaald. Eveneens kan een eis worden gesteld betreffende de wijze waarop de regels met betrekking tot de inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, moeten worden nageleefd, alsmede de regels, gesteld krachtens artikel 4, negende lid, met betrekking tot de inventarisatie en evaluatie, voor zover zulks bij die regels is bepaald. 2. Een eis vermeldt van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt en bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan. 3. De werkgever is verplicht aan de eis te voldoen. De werknemers zijn verplicht aan de eis te voldoen, voor zover zulks bij de eis is bepaald. De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld. 4. De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. 5. Indien naleving van de eis in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ambtenaar bepalen dat het zesde lid niet van toepassing is. Van het schrijven dat de eis bevat, wordt onverwijld een afschrift gezonden aan de griffie van de rechtbank van het arrondissement waarbinnen het bedrijf of de inrichting, waarop de eis betrekking heeft, is gelegen. 6. De president van de rechtbank bedoeld in het vijfde lid, kan op verzoek van de werkgever, na deze, de betrokken ambtenaar alsmede de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, de beschikking, houdende toepassing van het vijfde lid, buiten werking stellen. Hij omkleedt zijn beslissing met redenen en zendt afschrift daarvan aan de werkgever en de ambtenaar. De werkgever brengt de inhoud van de beschikking zo spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de betrokken werknemers, de andere personen en diensten, bedoeld in artikel 17 en van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers. Tegen de beslissing van de president van de rechtbank staat geen voorziening open behalve beroep in cassatie in het belang der wet. 7. Voor de toepassing van de vorige leden worden met een werkgever gelijkgesteld: a. de in artikel 27 bedoelde personen, voor zover het betreft de daar bedoelde voorschriften; b. de in artikel 28 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, voor zover het betreft de krachtens dat artikel omschreven verplichtingen. Stillegging van het werk
Artikel 37 1. Het districtshoofd of een andere, door Onze Minister aangewezen ambtenaar is bevoegd mondeling of bij gedagtekend schrijven te bevelen, dat personen niet mogen blijven in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen, indien naar zijn redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen. 2. Een ambtenaar, als bedoeld in het eerste lid, kan een onder zijn gezag werkzame ambtenaar machtigen tot het mondeling geven van bevelen als daar bedoeld. Een mondeling bevel wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de werkgever bevestigd. 3. Een bevel, als bedoeld in het eerste lid, geldt niet langer dan gedurende zeven dagen, tenzij het is bekrachtigd door de president van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de in het eerste lid bedoelde plaatsen zijn gelegen of de daar bedoelde werkzaamheden zijn of zouden worden verricht, in welk geval het blijft gelden totdat het overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid is ingetrokken. Het verzoek om bekrachtiging moet door de ambtenaar die het bevel gaf, binnen drie dagen nadat het is uitgevaardigd bij de griffie van de arrondissementsrechtbank zijn ingediend. De president van de arrondissementsrechtbank geeft binnen drie dagen, na de werkgever, degene tot wie het bevel is gericht, de ambtenaar die het bevel gaf en de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord, zijn met redenen omklede beschikking, waarvan onverwijld aan die werkgever, aan degene tot wie het bevel is gericht en aan die ambtenaar per aangetekende brief een afschrift wordt gezonden. Bij weigering van de bekrachtiging kan de president tevens het bevel buiten werking stellen. Tegen zijn beslissing staat geen voorziening open behalve beroep in cassatie in het belang der wet. 4. De president der arrondissementsrechtbank is niet gebonden aan de in het derde lid genoemde termijn van drie dagen in de gevallen, waarin hij voor het geven van zijn beslissing een langere termijn nodig acht. In zodanig geval blijft het bevel bedoeld in het eerste lid evenveel langer gelden dan zeven dagen. De president geeft van het langer gelden van het bevel kennis aan het districtshoofd en aan de werkgever. 5. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geldt mede in die gevallen, waarin op grond van het bepaalde in artikel 36, vierde lid, aan een gestelde eis nog geen uitvoering behoeft te worden gegeven. 6. Zodra naar het oordeel van de ambtenaar, die een bevel als bedoeld in het eerste lid gaf, geen ernstig gevaar meer aanwezig is, trekt hij het bevel in. 7. Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste lid gegeven heeft, is bevoegd met betrekking tot dit bevel de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen. De maatregelen en aanwijzingen kunnen onder meer betrekking hebben op het verzegelen van werktuigen, toestellen, gereedschappen en dergelijke, of onderdelen daarvan. 8. De werkgever brengt de inhoud van een bevel als bedoeld in het eerste lid, alsmede van een beslissing als bedoeld in het derde lid, derde zin, zo spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de betrokken werknemers, de andere personen en de diensten bedoeld in artikel 17 en van de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, van de belanghebbende werknemers.

9. Ieder wie zulks aangaat, is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel, als bedoeld in het eerste lid, en een aanwijzing, als bedoeld in het zevende lid.

Werkonderbreking
Artikel 38
Een werknemer is bevoegd het werk te onderbreken en de onderbreking voort te zetten, indien en zolang naar zijn redelijk oordeel gevaar voor personen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, aanwezig is en naar zijn redelijk oordeel het gevaar zo onmiddellijk dreigt dat de Arbeidsinspectie niet tijdig kan optreden. Voor de duur van de onderbreking behoudt de werknemer zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon. Degene die stelt dat de werknemer de aanwezigheid van onmiddellijk dreigend gevaar als bedoeld in de eerste zin op grond van de feiten waarop hij zich beroept, niet naar zijn redelijk oordeel mocht aannemen, moet dit bewijzen. Indien de onderbreking van het werk geschiedt buiten weten van de werkgever, onderscheidenlijk de bij de arbeid betrokken leidinggevende persoon, moet de werknemer de onderbreking terstond bij deze melden. Indien de onderbreking van het werk ter kennis wordt gebracht van de ingevolge artikel 37, eerste of tweede lid, bevoegde ambtenaar, geeft deze een bevel krachtens het eerste lid van dat artikel of verklaart hij, zo nodig onder het stellen van een eis als bedoeld in artikel 36, dat de arbeid kan worden verricht. Door de beschikking van de ambtenaar eindigt de bevoegdheid van de werknemer de werkonderbreking voort te zetten.

Ongeldigverklaring bewijsstukken
Artikel 39 1. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen het districtshoofd alsmede een andere onder diens gezag werkzame en door hem daartoe gemachtigde ambtenaar bewijsstukken als bedoeld in artikel 24, derde lid, onder h, of 28, tweede lid, ongeldig kan verklaren en daarop een desbetreffende aantekening kan plaatsen. Bij de maatregel wordt tevens bepaald welke bevelen de ambtenaar voor een juiste vervulling van deze taak kan geven aan de werkgever onderscheidenlijk de natuurlijke of rechtspersoon, bedoeld in laatstgenoemd artikel lid.

2. Degene aan wie een bevel als bedoeld in het eerste lid, tweede zin, is gegeven, is verplicht daaraan te voldoen. De ambtenaar kan ter uitvoering van een zodanig bevel de hulp inroepen van de sterke arm.

Verzoek om wetstoepassing
Artikel 40
Indien tussen de werkgever en werknemers meningsverschil bestaat omtrent de naleving van een of meer van de bij of krachtens deze wet gestelde regelen dan wel omtrent de aanwezigheid van ernstig gevaar voor personen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, kunnen de werkgever alsmede de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers het districtshoofd verzoeken toepassing te geven aan artikel 35, 36 of 37. Bovendien kan de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, een meerderheid van de belanghebbende werknemers de Directeur-Generaal van de Arbeid, onderscheidenlijk het districtshoofd verzoeken toepassing te geven aan artikel 5, tweede lid, of artikel 35, eerste lid. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad kan mede een verzoek als bedoeld in de eerste en tweede zin worden gedaan door een vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken bedrijf of inrichting dan wel de betrokken bedrijfstak werkzaam is en in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid. De werkgever zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van zijn verzoek aan de ondernemingsraad en aan de in artikel 17 bedoelde werknemers, andere personen en diensten. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad, brengt de werkgever de inhoud van zijn verzoek zo spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de belanghebbende werknemers. Andere verzoekers dan de werkgever zenden zo spoedig mogelijk een afschrift van het verzoek aan de werkgever.

HOOFDSTUK VIII. VRIJSTELLINGEN, ONTHEFFINGEN EN BEROEP

Artikel 41
1. Onze Minister kan met betrekking tot categorieën van bedrijven of inrichtingen vrijstelling verlenen van de voorschriften welke bij of krachtens de hoofdstukken 4 tot en met VI, de artikelen 27 en 28 zijn vastgesteld. 2. Het districtshoofd of een andere door Onze Minister aangewezen ambtenaar kan met betrekking tot een individueel bedrijf of inrichting ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld inzake het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen als bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweedelid. 4. Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. 5. Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 6. Een vrijstelling, onderscheidenlijk ontheffing, kan worden ingetrokken wanneer: a. een of meer der redenen waarom zij is verleend is of zijn vervallen; b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt of worden nageleefd c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend. 7. De werkgever zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van zijn verzoek om ontheffing aan de betrokken werknemers, andere personen en de diensten, bedoeld in artikel 17, alsmede de ondernemingsraad. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad brengt de werkgever de inhoud van zijn verzoek zo spoedig mogelijk bij gedagtekend schrijven ter kennis van de belanghebbende werknemers. 8. De werking van de aanwijzing wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Artikel 42
1. Tegen een aanwijzing als bedoeld in artikel 5, tweede lid, 15, derde lid, 35, eerste lid of 35a, eerste lid, kan een beroepschrift worden ingediend bij Onze Minister. 2. Tegen een eis als bedoeld in artikel 5, tiende en elfde lid, eerste lid, of 36, eerste lid, kan een beroepschrift worden ingediend bij Onze Minister. 3. Tegen een ongeldigverklaring als bedoeld in artikel 39, eerste lid, kan een beroepschrift worden ingediend bij Onze Minister. 4. Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 40, derde lid, dan wel tegen een beschikking inzake een ontheffing als bedoeld in artikel 41, kan een beroepschrift worden ingediend bij Onze Minister. 5. In afwijking van artikel 6:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een beroepschrift tegen een beschikking van het districtshoofd door diens tussenkomst ingediend. 6. Een beroepschrift kan worden ingediend door de werkgever alsmede door de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, behalve in het geval dat een eis als bedoeld in artikel 5, tiende en elfde lid, is gesteld, door de meerderheid van de belanghebbende werknemers en een vereniging van werknemers, die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen en als zodanig in de betrokken bedrijf of inrichting dan wel de betrokken bedrijfstak werkzaam is en in het bezit is van volledige rechtsbevoegdheid. Een beroepschrift tegen een aanwijzing als bedoeld in artikel 35, eerste lid, of 35a, eerste lid, kan tevens worden ingediend door de andere personen of diensten, bedoeld in artikel 17, voor zover die aanwijzing tot die andere personen of diensten is gericht. 7. Onze minister kan een commissie voor bezwaar en beroep instellen, die belast is met de taak, genoemd in artikel 7:19 van de Algemene wet bestuursrecht. 8. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een werkgever gelijk gesteld een natuurlijke of rechtspersoon: a. als bedoeld in artikel 36, zevende lid, voor zover aan hem een eis is gesteld als in dat artikel bedoeld b. als bedoeld in artikel 28, tweede lid, voor zover zich tot hem een ongeldigverklaring richt als bedoeld in artikel 39, eerste lid. HOOFDSTUK IX. ADVIESCOLLEGES

Arboraad
Artikel 43 – vervallen

Commissies van de Arboraad
Artikel 44 – vervallen

Districtscommissie
Artikel 45 – vervallen

HOOFDSTUK X. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 46 1. De Veiligheidswet 1934 (Stb. 352), de Silicosewet (Stb. 1951, 134) en de Wet op werken onder overdruk (Stb. 1968, 44) worden ingetrokken. 2. In afwijking van het eerste lid blijft de Veiligheidswet 1934 van kracht met betrekking tot een algemene maatregel van bestuur of een ministerieel besluit vastgesteld krachtens artikel 19, tweede lid, en artikel 7, eerste lid, onder e, van die wet, tot een door Ons te bepalen tijdstip.

3. Met betrekking tot verrichtingen als omschreven in artikel 2, eerste lid, en arbeid als omschreven in artikel 2, tweede, derde onderscheidenlijk vierde lid, blijft deze wet buiten toepassing totdat de algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk het besluit van Onze Ministers, vastgesteld krachtens het lid van artikel 2 dat op die verrichtingen of arbeid betrekking heeft, in werking is getreden. Tot vorenbedoeld tijdstip blijft de Veiligheidswet 1934 voor zover van toepassing op vorenbedoelde verrichtingen en arbeid, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot die verrichtingen en arbeid van kracht.

Artikel 47
Voor de toepassing van deze wet worden de hieronder vermelde algemene maatregelen van bestuur geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet: a. het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 (Stb. 872); b. het Electrotechnisch Veiligheidsbesluit 1938 (stb. 873); c. het Veiligheidsbesluit loodwit (Stb. 1939, 865); d. het Veiligheidsbesluit electrische schrikdraden (Stb. 1948, I 482); e. het Landbouwveiligheidsbesluit (Stb. 1950, K 107); f. het Zandsteenbesluit (Stb. 1951, 433); g. het Veiligheidsbesluit ioniserende stralen (Stb. 1963, 98); h. het Veiligheidsbesluit Binnenvaart (Stb. 1963, 170); i. het Caissonbesluit (Stb. 1968, 435); j. het Zandstraalbesluit (Stb. 1973, 415); k. het Veiligheidsbesluit Tankschepen (Stb. 1974, 566); l. het Besluit verplichtstelling van bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb. 1974, 740); m. het Besluit eisen bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb. 1974, 741); n. het Besluit ongevallen behandeling bedrijfsgeneeskundige diensten (Stb. 1974, 743); o. het Koninklijk besluit van 12 januari 1976 (Stb. 97) betreffende propaansulton; p. het Asbestbesluit (Stb. 1977, 269); q. het Besluit acetyleenontwikkelaars (Stb. 1967, 578), voor zover dit besluit is gebaseerd op de artikelen 7 en 11 van de Veiligheidswet 1934; r. een algemene maatregel van bestuur vastgesteld krachtens artikel 20v van de Veiligheidswet 1934. Artikel 48
De Stuwadoorswet (Stb. 1914, 486)1 ondergaat de volgende wijzigingen: A De artikelen 12, 12ter en 19bis vervallen. B In artikel 15 vervalt: “12, eerste en tweede lid; 12ter, tweede lid;”. C In artikel 20, eerste lid, vervalt: “19bis, vierde lid”. D In artikel 20, tweede lid, wordt in plaats van “het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 12, eerste, tweede, zevende en achtste lid, 12ter, tweede lid en 21, tweede en derde lid, ” gelezen: “het bepaalde bij artikel 21, tweede en derde lid”. E In artikel 20, derde lid, onder a en b, wordt in plaats van “het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 12, eerste en tweede lid, 12ter, tweede lid en 21, tweede en derde lid” gelezen: “het bepaalde bij artikel 21, tweede en derde lid”. F In artikel 21, eerste lid, onder 2°-a, wordt na het woord “ingeschreven” de puntkomma vervangen door een punt, terwijl het gestelde onder 2°-b van dit lid vervalt. Artikel 49
Voor de toepassing van deze wet wordt het Veiligheidsbesluit Stuwadoorswet (Stb. 1950, K 519) geacht te zijn vastgesteld krachtens deze wet.

Artikel 50
Voor de toepassing van deze wet worden vrijstellingen en ontheffingen alsmede andere besluiten die door Onze Minister, het districtshoofd of een andere ambtenaar genomen zijn op grond van het bij of krachtens de in de artikelen 46 en 48 genoemde wetten bepaalde, en die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog van kracht zijn, geacht te zijn verleend onderscheidenlijk genomen krachtens deze wet.

Artikel 51
De Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stb. 1952, 104)1 ondergaat de volgende wijzigingen. A In artikel 1, eerste lid, onder c, wordt in plaats van “Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid” gelezen: “Onze Minister van Sociale Zaken”. B In artikel 2, eerste zin, wordt in plaats van “Bij algemene maatregel van bestuur” gelezen: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur”. C Artikel 3, eerste lid, wordt gelezen: “1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het keuren van daarbij aangewezen gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen. “. D In artikel 6 wordt in plaats van “Bij algemene maatregel van bestuur” gelezen: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur”. E In artikel 7, aanhef, wordt in plaats van “Algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in” gelezen: “Regelen ter uitvoering van”. F In artikel 8, eerste lid, wordt tussen de komma, volgend op de woorden “is ingevoerd”, en het woord “is” een zinsnede ingevoegd, luidende: “ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, “. G In artikel 8, tweede lid, wordt tussen de komma, volgend op de woorden “is ingevoerd”, en het woord “is” een zinsnede ingevoegd, luidende: “ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, ” en wordt in plaats van “tot het verrichten van de in artikel 3 bedoelde keuring” gelezen: “tot het verrichten van de keuring”. H Artikel 10 wordt gelezen: “Artikel 10. 1. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel te vervaardigen zonder inachtneming van een krachtens artikel 2 vastgesteld voorschrift. 2. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel ten aanzien waarvan niet ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, voorhanden te hebben, af te leveren, te gebruiken of ten toon te stellen, indien het niet voldoet aan een krachtens artikel 2 vastgesteld voorschrift. 3. Het is verboden een gevaarlijk werktuig of een beveiligingsmiddel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, voorhanden te hebben, af te leveren, te gebruiken of ten toon te stellen, indien ten aanzien van dat gevaarlijke werktuig of dat beveiligingsmiddel niet een geldig certificaat van goedkeuring kan worden getoond en dat gevaarlijke werktuig of dat beveiligingsmiddel evenmin voorzien is van een geldig merk van goedkeuring. 4. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald, zijn het tweede en het derde lid niet van toepassing op het voorhanden hebben en het gebruiken in de huishouding.

5. Voor zover bij algemene maatregel van bestuur niet anders is bepaald, is het derde lid niet van toepassing op het tentoonstellen, mits bij het tentoonstellen op duidelijk leesbare wijze is vermeld, dat een geldig certificaat van goedkeuring nog niet werd aangevraagd of verkregen. “.

I Artikel 11 wordt gelezen: “Artikel 11. 1. Van het bij of krachtens deze wet bepaalde kan Onze Minister vrijstelling en een door Onze Minister aangewezen ambtenaar ontheffing verlenen. 2. Een vrijstelling of een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. 3. Aan een vrijstelling of een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 4. Een vrijstelling of een ontheffing kan worden ingetrokken wanneer: a. een of meer der redenen waarom zij is verleend, vervallen zijn, b. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften dan wel andere bij of krachtens deze wet vastgestelde voorschriften niet worden nageleefd, of

c. zich na de verlening zodanige feiten of omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de verlening bekend waren geweest, de vrijstelling of ontheffing niet of niet in die vorm zou zijn verleend. “.

J Artikel 12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. In de eerste zin wordt tussen “dan wel” en “herstelling” ingevoegd: “schriftelijk en gedagtekend”. 2. In de eerste zin wordt het zinsdeel “van een merk van afkeuring voorzien” gelezen: “ten bewijze daarvan voorzien van een merk van afkeuring”.

3. Aan het lid wordt een derde zin toegevoegd, luidende: “Een krachtens de eerste zin gestelde eis moet worden nageleefd door degene aan wie hij is gesteld. “.

K Artikel 13, eerste lid, onderdeel b, wordt gelezen:
“b. tegen een beslissing van een ambtenaar als bedoeld in artikel 11, eerste lid, waarbij het verlenen van een ontheffing wordt geweigerd, tegen een beperking waaronder een ontheffing is verleend of tegen een voorschrift dat aan een ontheffing is verbonden;”. L Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt in plaats van “arbeiders” gelezen: “werknemers” en in plaats van “voorwaarde”: “voorschrift”.

2. Het tweede en derde lid vervallen. Het cijfer 1 ter aanduiding van het eerste lid vervalt.

M Na artikel 14 wordt ingevoegd: “Bijzondere bepaling Artikel 14a. Indien de werkgever werknemers opdraagt taken uit te oefenen, voortvloeiende uit zijn zorg voor de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, moet hij ervoor zorgen dat: a. aan deze werknemers de bevoegdheden en middelen worden verleend die nodig zijn voor een goede uitoefening van die taken; b. slechts één werknemer wordt belast met een zelfde taak als voren bedoeld.

De opdracht moet de taken nauwkeurig omschrijven. Zij moet in een geschrift zijn neergelegd, onder vermelding van de naam van de werknemer. “.

N Artikel 15 wordt gelezen:
“Artikel 15. Aan artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten (Stb. 1950, K 258) wordt toegevoegd: “de Wet op de gevaarlijke werktuigen, de artikelen 4, vierde lid, tweede zin, 8, eerste lid, 10, eerste, tweede en derde lid, 12, eerste lid, derde zin, 13, zesde lid, 14a en 20;”. O Het opschrift boven artikel 16 wordt gelezen “Toezicht”. P Artikel 16 wordt gelezen: “Artikel 16. 1. De ambtenaren der Arbeidsinspectie door Onze Minister aangewezen krachtens artikel 77 der Arbeidswet zijn in het door hem aangewezen ambtsgebied belast met de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde en de medewerking aan de uitvoering daarvan. 2. Onze Minister kan de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde en de medewerking aan de uitvoering ervan opdragen of mede opdragen aan anderen dan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. Indien de opdracht wordt verleend aan ambtenaren ressorterende onder het departement van een andere dan Onze Minister, wordt het desbetreffende besluit genomen door Onze beide Ministers tezamen.

3. De in dit artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle bedrijven, inrichtingen en andere plaatsen – met uitzondering van woningen – te betreden en alle onderzoekingen en handelingen te verrichten een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de juiste vervulling van hun in dit artikel bedoelde taak. “.

Q Artikel 17 vervalt. R In artikel 18, eerste lid, wordt in plaats van “De opsporingsambtenaren” gelezen: “De in artikel 16 bedoelde ambtenaren”. S Artikel 19, eerste zin, wordt gelezen:
“De in artikel 16 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het verzegelen van gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 3, eerste lid, een keuring is voorgeschreven, doch ten aanzien waarvan een geldig certificaat van goedkeuring niet kan worden getoond en welke evenmin zijn voorzien van een geldig merk van goedkeuring. “. T Artikel 20 wordt gelezen: “Artikel 20. Een ieder is verplicht aan de in artikel 16 bedoelde ambtenaren alle door hen verlangde gegevens en inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde, alsmede inzage te verlenen van alle bescheiden waarvan dezen voor de goede vervulling van hun taak inzage nodig oordelen.

Desverlangd moeten de verlangde gegevens en inlichtingen schriftelijk binnen een door deze ambtenaren gestelde termijn worden verstrekt. “.

U In artikel 21, eerste zin, wordt in plaats van “De opsporingsambtenaren” gelezen: “De in artikel 16 bedoelde ambtenaren”. V Artikel 23 vervalt. W In artikel 24, eerste zin, wordt in plaats van “artikel 10, eerste lid, ” gelezen:
“artikel 10, derde lid, “. X Artikel 25 wordt gelezen:
“Artikel 25. Deze wet brengt geen wijziging in de toepassing van de Mijnwet 1903, de Schepenwet en de Stoomwet. “.

Artikel 52
Het Veiligheidsbesluit gevaarlijke werktuigen (Stb. 1940, 842), wordt geacht te zijn vastgesteld krachtens de Wet op de gevaarlijke werktuigen, zoals gewijzigd ingevolge artikel 51.

Artikel 53 1. De behandeling van verzoeken en beroepen, welke voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gedaan onderscheidenlijk ingesteld op grond van hetgeen bepaald is bij of krachtens de Veiligheidswet 1934, de Silicosewet, de Wet op werken onder overdruk en de artikelen 12 en 21 van de Stuwadoorswet wordt voortgezet op de voet van deze wet.

2. Ten aanzien van feiten die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, gelden met betrekking tot verzoeken en beroepen, in afwijking van deze wet, de termijnen voorkomend in de in het eerste lid bedoelde bepalingen.

Artikel 54
In artikel 9, tweede lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73)2 wordt in plaats van “de Veiligheidswet” gelezen: “de Arbeidsomstandighedenwet”.

Artikel 55
In artikel II, eerste lid, van de wet van 7 september 1973 (Stb. 499), houdende een overgangsregeling ten aanzien van werken en inrichtingen die niet meer bij een mijn behoren (Overgangsregeling steenkolenmijnen), wordt in plaats van “artikel 38, eerste lid, onder d, van de Veiligheidswet 1934 (Stb. 352)” gelezen: “artikel 2, zesde lid, onder a, van de Arbeidsomstandighedenwet”.

Kosten
Artikel 56
De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of krachtens deze wet zijn gesteld, worden niet ten laste van de werknemer gebracht.

Artikel 57
Aan artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten wordt toegevoegd “de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 2, zevende lid, 4, derde, vijfde en zesde lid, 5, eerste, tweede, dertiende en veertiende lid, tweede zin, 6, 9, 10, 11, 12 onder a tot en met d, 14, derde lid, vierde zin, 17, tweede lid, vierde zin, 18, tweede lid, vierde zin, 19, tweede lid, vierde zin, 23, 26, 27, 28, 30, tweede en derde lid, 31, 33, 35, eerste lid, vierde zin, tweede lid, derde zin, en vierde lid, 36, vierde lid, tweede zin, vijfde lid, en achtste lid, derde zin, 37, achtste en negende lid, 39, tweede lid, tweede zin, en derde lid, eerste zin, 40, eerste lid, vijfde tot en met zevende zin, en derde lid, tweede zin, 41, vijfde lid, zevende lid, eerste en tweede zin, en negende lid, derde zin, en 42, tiende lid, vierde zin;”.

Artikel 58
Indien bijzondere omstandigheden van plaatselijke aard in een gemeente voorschriften betreffende onderwerpen, waarop deze wet betrekking heeft, nodig maken, die niet bij algemene maatregel van bestuur zijn gegeven, kunnen deze voorschriften door de gemeenteraad onder Onze goedkeuring, gehoord de Arboraad, worden vastgesteld.

Artikel 59
Waar in deze wet niet anders is bepaald wordt de voordracht tot een algemene maatregel van bestuur Ons gedaan door Onze Minister.

Artikel 60
1. Deze wet kan worden aangehaald als Arbeidsomstandighedenwet.

2. Zij treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, onderdelen daarvan, of onderwerpen daaruit, verschillend kan worden gesteld.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.