Arbosite FNV Bondgenoten: c

0
Achtergrond van de brief

Feitelijk wringt de overheid zich in allerlei bochten om maar onder een wettelijke tilnorm uit te komen.
Nu zijn er meer wegen die naar Rome leiden, misschien minder snel, maar mits serieus bewandeld op den duur wellicht ook tot resultaten leiden.

We praten dan over arboconvenanten nieuwe stijl en – bijvoorbeeld – arbobeleidsregels.

Inmiddels ligt er een nieuwe (concept) beleidsregel betreffende het tillen op bouwplaatsen. Een beleidsregel waartegen een aantal werkgevers – met name in de installatie- en isolatiebranche in het geweer is gekomen. Reden voor een aantal vakbonden – waaronder FNV Bondgenoten – om de eigen uitgangsspunten nog eens op een rij te zetten.

Uit de brief van de bonden:

“In het najaar van 2001 publiceerde de Directie Arbeidsomstandigheden van het Ministerie van SZW een nieuwe voorgenomen beleidsregel inzake de tilproblematiek op bouwplaatsen. Deze beleidsregel – voortvloeiend uit de convenantsafspraken in de bouwnijverheid – heeft nogal wat commotie veroorzaakt, zowel vanwege de wijze waarop de beleidsregel tot stand is gekomen, als ook vanwege de inhoudelijke bepalingen. Met name door werkgeversorganisaties in de metaalindustrie en metaalbewerking is veel bezwaar aangetekend. Teneinde de besluitvorming over de gewraakte beleidsregel ook te voorzien van opvattingen van werknemerszijde hebben wij gemeend er goed aan te doen onze kijk op de zaak naar u toe alsnog kenbaar te maken. Deze brief ontvangt u namens de organisatie FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie. “

De procedurele kant.

Al in het overleg in september 2001 over de intentieverklaring voor het arbo-convenant in de installatie- & isolatiebranche hebben de bonden aangegeven zich de procedurele bezwaren van de werkgeversorganisaties te kunnen voorstellen. Ook in het convenantsoverleg in de metalectro/metaalbewerking is ongenoegen door de bonden geuit over de gang van zaken. Belangrijkste bezwaar is dat er vóór het moment van publicatie in augustus 2001 geen informatie en communicatie geweest is over het feit dat de beleidsregel voor de bouwsector ook van toepassing zou worden op installatie- & isolatie- en andere werkzaamheden op bouwplaatsen.

Het ware beter geweest als alle betrokken partijen eerder geïnformeerd waren. Waarbij zij aangetekend dat de communicatie hierover ook in werkgeverskringen anders had kunnen – misschien wel moeten – plaatsvinden. Het was immers het voorstel van de werkgeversorganisatie in de bouwnijverheid om de werkingssfeer van de beleidsregel tot de gehele bouwplaats op te rekken teneinde oneerlijke concurrentie (in dit verband letterlijk over de ruggen van de werknemers) tussen bedrijven en branches op bouwplaatsen te voorkomen. In de discussie die is ontstaan n.a.v. de publicatie van de beleidsregel zegde het Ministerie van SZW toe met een standaardprocedure voor de totstandkoming van beleidsregels (in het kader van arbo-convenanten) te zullen komen.

De wijze van totstandkoming van de beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’ verdient ten aanzien van het betrekken van de verschillende partijen dus niet de schoonheidsprijs. Maar er is dus inmiddels een toezegging dat het in de toekomst anders zal gaan en dat hiertoe een procedure wordt ontwikkeld.

Het principe van beleidsregels.

De bonden zijn voorstander van het concretiseren van globale arbo-wetgeving door middel van afdwingbare of handhaafbare beleidsregels of CAO-bepalingen, waarbij maatwerk naar de beroepen en werkzaamheden in branches kan worden geleverd.

Regelgeving geeft houvast aan zowel werkgevers, werknemers als ook aan de overheid in haar toezicht op de naleving van arbeidsbeschermende wetgeving. Regelgeving ondersteunt een kerndoelstelling van het convenantstraject: het opduwen van de stand der wetenschap in de zorg voor veilig en gezond werken in bedrijfstakken en dus aan het beperken van arbeidsongeschiktheid.

De algemene bepalingen van de beleidsregel tillen op bouwplaatsen zijn een nadere uitleg en invulling en geen verscherping van de bestaande wetgeving. De werkgeversorganisaties erkennen met hun bezwaren tegen de beleidsregel tillen op bouwplaatsen impliciet dat zij al jaren niet voldoen aan bestaande wetgeving. Dit is op zich geen nieuws en er zijn meer sectoren waar deze situatie bestaat. Zorgelijk is dat de werkgevers vervolgens pleiten voor het niet invoeren van de beleidsregel tillen op bouwplaatsen. Dat lijkt de bonden een verkeerde conclusie.

De beleidsregel dient juist een prikkel en aansporing te zijn om bestaande verplichtingen na te komen. Werkgevers (en werknemers) zullen zich moeten inspannen om werkmethoden en hulpmiddelen te hanteren die een lagere fysieke belasting, dus minder tillen en minder zware til-handelingen, mogelijk zal maken.

De inhoudelijke aspecten van de beleidsregel.

De beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’ valt uiteen in twee delen. Het algemene deel omvat drie bepalingen en het specifieke deel zeven bepalingen. Het specifieke deel betreft uitsluitend werkzaamheden in de bouwsector. Voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van de bepalingen 4 t/m 10 vertrouwen de bonden op de ervaring en deskundigheid van collega-werknemersorganisaties in de bouwsector. Ook het onderzoek en de expertise van de paritaire organisatie ARBOUW t.a.v. de oorzaken van arbeidsongeschiktheid en de maatregelen om veiligheids- en gezondheidsrisico’s te beperken, zal bijgedragen hebben aan de vaststelling van de genoemde specifieke bepalingen.

Het gaat de bonden in met name de metaalindustrie en metaalnijverheid (waaronder de installatie- en isolatiebranches) om de eerste drie algemene bepalingen van de beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’, aangezien deze onverkort van toepassing zullen zijn op het werk van werknemers op het moment dat zij installatie-, isolatie- of andersoortige werkzaamheden op bouwplaatsen uitvoeren. Deze bepalingen houden in:

  • Handmatig tillen zoveel als redelijkerwijze mogelijk is voorkomen of beperken
  • Eén persoon mag maximaal 25 kg tillen, mits: met twee handen tillen, eenvoudig en goed vast te houden last, op een vlakke, stabiele, niet-gladde ondergrond
  • Twee personen maximaal 50 kg, mits gewicht gelijk verdeeld en zelfde eisen ten aanzien van twee handen, vasthouden van de last en de ondergrond als bij één persoon en 25 kg.

Beleidsregel en Europese regels

De beleidsregel geeft een nadere uitleg aan bepalingen in hoofdstuk 5 van het Arbo-besluit. Deze bepalingen zijn inmiddels bijna tien jaar van kracht in Nederland: al in 1993 werd naar aanleiding van een EG-richtlijn het Besluit Fysieke Belasting van kracht.

Sinds die tijd is met name de NIOSH-meetmethode benut om til-normen te ontwikkelen voor tal van arbeidssituaties. Deze wetgeving en methodiek kunnen al tenminste een decennium benut worden voor het ontwikkelen en treffen van maatregelen. De implementatie van maatregelen in de praktijk blijft echter vaak achter.

De instroom van werknemers in de WAO, veroorzaakt door fysieke klachten, is enorm. Aandoeningen aan het bewegingsapparaat is beroepsziekte nr. 1 in Nederland.

Het wordt kortom tijd dat deze wetgeving op het gebied van de fysieke arbeidsbelasting ook wordt nageleefd door bedrijven.

Een uiterst redelijke beleidsregel

De beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’ is een uitwerking van lid 1 van art 5.3 van het Arbo-besluit. Beide bepalingen samen bevatten liefst drie maal het begrip ‘voor zover redelijkerwijs mogelijk’. Dat lijkt voldoende waarborg om in incidentele situaties rekening te kunnen houden met haalbaarheid zoals bijvoorbeeld technische (on)mogelijkheden.

Overigens dreigt het gevaar dat de bepalingen 1 t/m 3 van de beleidsregel leiden tot het hanteren van de maximale tilgewichten van 25 kilogram en 50 kg waar dit niet terecht is: op bouwplaatsen zijn vloeren vaak niet vlak, zijn lasten vaak onhandelbaar en niet gelijkelijk over twee werknemers te verdelen.

In die gevallen zijn lagere tilnormen uit gezondheidsoogpunt noodzakelijk.
Hierbij zij aangetekend dat de NIOSH-methode strikt gesproken uitkomt op een maximale 23 kilogram respectievelijk 46 kg aan maximale tilbelasting (en ‘in gunstige tilomstandigheden’).

Ook toepasbaar voor installatie- en isolatiebedrijven

De bepalingen 1 t/m 3 van de beleidsregel tillen op bouwplaatsen kunnen nu al worden toegepast op de installatie- & isolatie en andere werkzaamheden.

De werkgeversorganisaties in de installatie- en isolatiebranches sommen een aantal knelpunten en onoverkomelijkheden op. FNV Bondgenoten heeft deze concrete bezwaren voorgelegd aan kaderleden die werkzaam zijn bij installatiebedrijven. Deze kaderleden melden dat een groot deel van de genoemde bezwaren en knelpunten niet houdbaar zijn. In de dagelijkse praktijk wordt wel degelijk al gewerkt met normstellingen als het beperken van het handmatig tillen en de maximale tilgewichten van 25 (23) en 50 (46) kg.

We noemen hier een aantal voorbeelden:

  • Nieuwe CV-ketels voor gebruik in eensgezins huishoudens worden steeds lichter: deze zijn nu veelal tussen de 30 en 45 kg. Deze ketels zullen onder redelijk gunstige omstandigheden en met behulp van hulpmiddelen als speciale steekkarren door twee personen getild en getransporteerd kunnen worden. Voor de zwaardere ketels zullen in ieder geval til- of transport-hulpmiddelen ingezet moeten worden. Dit gebeurt in de praktijk in een aantal installatiebedrijven al. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld pijpleidingen die zwaarder zijn dan 50 kg.
  • De meest gebruikte stalen vlampijpleidingen hebben een standaard-maat van 6 meter lengte. Bij een diameter van 10 mm en 6 m lengte bedraagt het gewicht 4,14 kg. Bij een diameter van 40 mm bedraagt het gewicht 17,7 kg en bij 50 mm 24,8 kg. In de praktijk worden pijpen van 6 m lengte al met z’n tweeën getild en gedragen, om beschadiging te voorkomen. Zo’n 50% van de in de woningbouw gebruikte pijpleidingen is minder dan 25 kg zwaar. Voor zover de zwaardere pijpen om praktische of technische redenen niet met hulpmiddelen verplaatst of op z’n plaats kunnen worden gehouden, kan de standaardlengte naar bijvoorbeeld 3 meter: een extra las is technisch/kwalitatief geen bezwaar.
  • Het demonteren van oude, zware ketels is, – ook als er asbest in verwerkt is – een optie die ook ter plaatse kan worden uitgevoerd. De arbeidshygienische eisen die dit stelt kunnen volgens onze kaderleden evengoed ter plekke worden gerealiseerd als in een werkplaats.
  • In sommige installatiebedrijven is men hard bezig de fysieke belasting te beperken en te voldoen aan de wettelijke normen. Zo worden hulpmiddelen ontwikkeld in samenwerking met werknemers zelf. Voorbeelden hiervan zijn: een hefrolset voor zware schakelkasten, easy-roll systeem voor kabelhaspels, een radiator-kar, klein formaat opvouwbare steekwagens, buigpompsteunen, pijpsteunen, klembeugels voor CV-ketels. Dit is een greep uit de hulpmiddelen-catalogus die momenteel wordt ontwikkeld bij een groot installatiebedrijf.

Het is naar onze indruk veeleer een kwestie van organiseren van hulpmiddelen en het aanwennen en -wenden van alternatieve werkmethoden, dan van technische of economische onmogelijkheden.

Kaderleden van de bonden geven ook aan dat vooral de kleine installatie- en isolatiebedrijven zich weinig gelegen laten liggen aan arbeidsomstandigheden.

Daar is dan ook juist concrete regelgeving en handhaving op zijn plaats teneinde de stand der wetenschap in deze bedrijven ingang te doen vinden.

Conclusie. De beleidsregel geeft een welkome inspanningsprikkel.

De beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’ geeft een nadere invulling en uitleg van al jaren bestaande wetgeving en geeft als zodanig richting aan het beleid dat werkgevers moeten voeren om de tilbelasting van werknemers op bouwplaatsen te beperken.
Dit is een goede zaak, gezien de hoge WAO-instroom vanwege de grote hoeveelheid nek-schouder- en rugklachten en -aandoeningen. De beleidsregel geeft alle betrokken partijen (opdrachtgevers, werkgevers, werknemers, arbodiensten, arbeidsinspectie, OR- en vakbondskaderleden die betrokken zijn bij de zorg voor arbeidsomstandigheden) houvast voor wat betreft de bestaande wetgeving.

In een aantal ‘voorlopende’ bedrijven in bijvoorbeeld de installatie- & isolatiebranche wordt hard gewerkt om de fysieke arbeidsbelasting te beperken en kan al voldaan worden aan deze drie algemene bepalingen. Het is veeleer zaak om met behulp van de beleidsregel de ‘achterblijvers’ op te porren tot beleid en tot voor werknemers praktisch bruikbare maatregelen op het vlak van de werkmethoden, tiltechniek en transport- en tilhulpmiddelen.

Op diverse onderdelen zullen wellicht hardnekkige knelpunten bestaan. Hiervoor biedt echter het redelijkerwijze-principe in de Arbeidsomstandighedenwet voldoende uitweg voor werkgever en handhavende instantie (Arbeidsinspectie).

Naar het oordeel van drie vakorganisaties is er geen bezwaar de beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’ onverkort in te voeren.
De beleidsregel zal het convenantsoverleg over de maatregelen voor de werkzaamheden in de installatie- & isolatiebranche (al dan niet op bouwplaatsen) niet doorkruizen. Deze beleidsregel is een begin en een kader dat in het convenantsoverleg een vervolg dient te krijgen.

De onderzoeks- en ontwikkel-activiteiten in het kader van dat overleg kunnen leiden tot specifieke beleidsregels, die nauw aansluiten op de aard van de werkzaamheden in de branches. In de tussentijd kan de beleidsregel tillen op bouwplaatsen ook voor de installatie- & isolatie- en andere werkzaamheden een welkome inspanningsprikkel geven.

Zo zal de handhaving door de Arbeidsinspectie van al jaren bestaande wet- en regelgeving kunnen plaatsvinden in redelijkheid en op basis van de momenteel bekende stand der wetenschap.

TERUG NAAR TOP PAGINA