Beleidsregel zitgelegenheid baliewerk

0

Beleidsregel 5.4 –3 Zitgelegenheid bij baliewerk
Grondslag: Arbobesluit artikel 5.4.

Aan de verplichtingen tot het ter beschikking stellen van doelmatige zitgelegenheid als bedoeld in artikel 5.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt voor wat betreft baliewerk voldaan wanneer het hiernavolgende in acht genomen wordt.

1. Onder baliewerk worden werkzaamheden verstaan aan een voorziening die ingericht is voor direct contact met klanten of bezoekers. Administratieve handelingen, verstrekken van informatie, verrichten van transacties en doorverwijzen staan bij zulke werkzaamheden centraal.

2. Bij baliewerk is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als

a. van de stoel de rugleuning en de zittinghoogte verstelbaar zijn,

b. de stoel voldoet aan de norm NEN 1812 “Ergonomie. Ergonomische criteria voor kantoorstoelen. Eisen voor afmetingen en uitvoering. Meet en beproevingsmethoden”, 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993, of DIN 68877 “Arbeitsdrehstuhl; Sicherheitstechnische Anforderungen, Prüfung”, juli 1981,

c. het hoogte-insteltraject van de stoel is aangepast aan de hoogte van de balie en

d. de stoel is voorzien van wielen of glijders, waarbij van belang is dat:

1e de stoel niet hinderlijk wegrijdt of -glijdt tijdens zittende werkzaamheden aan de balie,

2e de stoel gemakkelijk opzij gezet kan worden als de werknemer staat te werken achter de balie en

3e de stoel niet dreigt om te vallen bij extreme lichaamshoudingen van de werknemer.

3. Bij baliewerk in combinatie met beeldschermwerk in de zin van artikel 5.12. van het Arbeidsomstandighedenbesluit is sprake van een doelmatige zitgelegenheid als de stoel voorzien is van verstelbare armsteunen. In overige gevallen geldt die verplichting niet, tenzij de aanwezigheid van armsteunen gewenst is.

4. Het meubel waarin baliewerk wordt verricht, biedt voldoende bewegingsvrijheid voor de werknemer. Er is een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep, afgezien van de voor het werk beschikbare voetensteun. Bij die 60 centimeter breedte is de dikte van het werkblad nergens meer dan 5 centimeter.

5. De inrichting van de balie maakt het mogelijk dat medewerkers en bezoekers elkaar op gelijke ooghoogte aan kunnen kijken. Hieraan wordt voldaan wanneer:

a. de zittinghoogte van de stoel van de medewerker over een traject verstelbaar is van 49 – 61 cm, 59 – 71 cm of een traject daartussen, waarbij de werkhoogte van de medewerker dienovereenkomstig is aangepast, of

b. de vloer aan de zijde van de medewerker is verhoogd met 10 tot 20 centimeter en de overgang naar deze vloerverhoging goed is gemarkeerd, of

c. de balie aan bezoekerszijde voorzien is van een stoel, waarvan bezoekers geregeld gebruik maken.

6. De werknemer heeft de beschikking over een voetensteun indien dat voor het bereiken van een goede lichaamshouding gevergd wordt. Deze is eenvoudig in hoogte instelbaar in minimaal 3 standen met onderling gelijke afstand. Het totale instelbereik van de voetensteun omvat in ieder geval het verticale traject tussen 60 en 80 centimeter onder de werkhoogte. Een voorbeeld van een goede voetensteun is beschreven in de norm DIN 4556 “Büromöbel. Fußstützen für Büroarbeitsplatz; Anforderungen, Maße”, februari 1983. Een stang of balk als voetensteun is onvoldoende.

7. Hulpmiddelen die de baliemedewerker regelmatig gebruikt zijn zo geplaatst dat de werknemer bij het gebruik ervan niet noodgedwongen hoeft te verzitten of een gebogen houding hoeft aan te nemen. Deze zijn geplaatst binnen een horizontaal bereik van 45 centimeter, gerekend vanaf de schouders van de werknemer. De plaatsing is bovendien op een hoogte die maximaal 10 centimeter afwijkt van de werkhoogte.