basispagina

0

Arbo Beleidsregel 5.4 –1 Zittend werk, staand werk, gebruik van een stasteun
Grondslag: Arbobesluit artikel 5.4.

Aan de verplichting tot het ter beschikking stellen van doelmatige zitgelegenheid als bedoeld in artikel 5.4. wordt voldaan wanneer het hiernavolgende in acht wordt genomen.

1. Arbeid kan alleen dan zittend worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 5.4. wanneer alle regelmatig voorkomende handelingen binnen het werkbereik van de handen en het zichtgebied van de individuele werknemer kunnen worden gebracht.

2. Bij zittend werk is ten behoeve van de bewegingsvrijheid van benen en voeten een vrije ruimte onder het werkblad aanwezig van ten minste 70 centimeter hoog en 60 centimeter breed en diep. Voor werkzaamheden in kantoren bedraagt de minimale diepte ten behoeve van de benen en voeten respectievelijk 65 en 80 centimeter.

3. Indien kantoorwerkzaamheden worden verricht:

a. is er ten behoeve van de werknemer een zitgelegenheid beschikbaar die aan de norm NEN 1812 “Ergonomie. Ergonomische criteria voor kantoorstoelen. Eisen voor afmetingen en uitvoering. Meet en beproevingsmethoden”, 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993, voldoet, met specificatie HAV of HRAV voor monotoon administratief werk en minimaal specificatie HRAV, LRAV, HR of LR voor afwisselend administratief werk;

b. zorgt de werkgever voor een stoel met aangepaste maatvoering of verstelmogelijkheden in de gevallen dat de verstelmogelijkheden van deze stoel voor een werknemer niet toereikend zijn.

c. voldoet de werktafel aan de norm NEN 2449 “Ergonomie. Ergonomische criteria voor kantoortafels. Eisen voor afmetingen en uitvoering. Beproevingsmethoden.” 1e druk, december 1990, waarbij in plaats van de tafel met hoogte-instelbaarheid ook van een tafel met een vaste werkhoogte gebruik kan worden gemaakt, mits deze vaste werkhoogte tussen 74 en 76 centimeter ligt;

d. is er, conform de ergonomische uitgangspunten in de praktijkrichtlijn NPR 1813 “Ergonomie. Ergonomische uitgangspunten voor kantoormeubelen en aanwijzingen voor het gebruik”, 2e druk, december 1990, (toelichting bij NEN 1812 en NEN 2449) ten behoeve van de werknemers een voetensteun beschikbaar die voldoet aan de norm DIN 4556 “Büromöbel. Fußstützen für Büroarbeitsplatz; Anforderungen, Maße”, februari 1983.

4. Bij industriële werkzaamheden die zittend kunnen worden verricht, is een zitgelegenheid beschikbaar die aan de norm NEN 1812 “Ergonomie. Ergonomische criteria voor kantoorstoelen. Eisen voor afmetingen en uitvoering. Meet en beproevingsmethoden”, 2e druk, december 1990, inclusief correctieblad augustus 1993, of DIN 68877 “Arbeitsdrehstuhl; Sicherheitstechnische Anforderungen, Prüfung”, juli 1981, voldoet. Als de situatie dat vereist, heeft zo’n zitgelegenheid tevens gunstige eigenschappen ten aanzien van hygiëne, stroefheid en ventilatie van het materiaal.

5. Onder het doelmatig werken met een stasteun wordt in dit verband verstaan dat het gebruik ervan (bijna rechtop staand met licht gebogen knieën) niet gepaard gaat met dikwijls vooroverbuigen.