Arbosite FNV Bondgenoten : werken in de winterkou

0

FNV Bondgenoten krijgt uiteraard vooral in de wintermaanden veel vragen over werken bij koude en extreem koude temperaturen. We zetten de regels en inzichten daarom (beknopt) op een rij.

De risico’s

Bij het werken onder extreme kou kan het werk vaak niet meer goed worden uitgevoerd.
De bloed-toevoer naar handen (vingers) of voeten (tenen) wordt tot een minimum teruggebracht. De Arbeids-inspectie spreekt in dit verband van ‘fysiologische amputatie’. Handschoenen zijn noodzakelijk (als de taak dit toelaat, dus niet bij beeldschermwerk).

Het werken onder extreme koude kan leiden tot onderkoeling. Als de temperatuur in de kern van het lichaam van mensen daalt tot 33ºC kan dat leiden tot een toestand van bewustzijnsvernauwing.
Als de temperatuur nog verder daalt heeft dit gevolgen voor het hartritme. Ernstige onderkoeling komt onder werknemers in Nederland overigens niet veel voor: jaarlijks worden er in Nederland zo’n 150 gevallen van ernstige onderkoeling behandeld, meestal is dan alcohol in het spel.

Naast schade aan de gezondheid kan het werken in de kou ook gewoon hinderlijk zijn: het klimaat is niet meer behaaglijk. Ook dan moet de werkgever, indien mogelijk, maatregelen nemen (zie ‘ Wat zegt de arbowet).

Wat zegt de arbowet?

Vier invalshoeken zijn van belang bij de arbowetgeving over dit onderwerp:

  1. Artikel 5 arbowet – gaat over de wettelijk verplichte Risico Inventarisatie en Evaluatie (afgekort: RIE)
    Hierin moet de werkgever een schriftelijke beschrijving geven van de gevaren waaraan werknemers worden blootgesteld. Als werken onder koude omstandigheden vaak voorkomt, moet dit in de RIE vermeld worden. En daarbij moetde werkgever ook aangeven welke maatregelen hij treft om het gevaar te voorkomen, dan wel te beperken. Elke werknemer heeft het recht de RIE in te zien, en Ondernemingsraad of Personeelsvertegenwoordiging hebben instemmingsrecht: de RIE moet vooraf ter goedkeuring aan hen worden voorgelegd, en de stand van zaken (‘ doen we wat wehebben afgesproken’) moet jaarlijks met hen worden doorgesproken
  2. Artikel 6.1 van het arbobesluit stelt in lid 2, dat het klimaat zo gelijkmatig en behaaglijk moet zijn als redelijkerwijs mogelijk is. Als meer dan 10% van de aanwezige werknemers klaagt, mag u er met enige zekerheid van uit gaan dat het klimaat niet aan deze norm voldoet.
  3. Artikel 6.1 van datzelfde arbobesluit stelt dat het klimaat geen schade aan de gezondheid van werknemers mag veroorzaken. In lid 4 staat vervolgens dat als werknemers toch aan schadelijke klimaatomstandigheden worden blootgesteld, de werkgever persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen enz.) ter beschikking moet stellen. Als dat niet helpt, moet hij de blootstellingsduur aan kou (of warmte) in zodanige mate beperken, dat geen gezondheidsschade kan optreden…
  4. Naast de arbowet en het arbobesluit zijn er ook nog zogenaamde ‘ arbo-beleidsregels’ . Die hebben niet de kracht van wet, maar worden wel door de Arbeidsinsectie gebruikt. Neemt een werkgever maatregelen conform de arbo- beleidsregels, dan zit hij goed. Doet hij dat niet, dan zal hij zelf moeten kunnen aantonen, dat de maatregelen die hij genomen heeft, hetzelfde positieve effect hebben.
    Arbo Beleidsregel 6.1 handelt zowel over de normen voor een ‘ behaaglijk klimaat’ als over werken in de kou.
    Verduidelijking op een aantal begrippen biedt de ministeriële toelichting op de beleidsregel. Hier wordt verwezen naar diverse NEN/ISO normen, alleen verkrijgbaar via het NEN/ NNI in Delft, maar wordt ook de simpele vuistregel vermeld dat het klimaat geacht wordt behaaglijk te zijn als minder dan 10% van de werknemers klachten heeft. Addertje onder het gras: een overschrijding van de behaaglijkheidsnormen gedurende 10% van de ‘ verblijfstijd’ vergt géén structurele maatregelen, maar ontslaat de werkgever niet van de verplichting middels tijdelijke maatregelen de problemen te verhelpen of te verminderen.

De vraag die wordt gesteld is meestal bij welke temperatuur men het werk mag weigeren. Dat ligt dus niet duidelijk vast in de Arbowet. Voor de meeste mensen zal gelden dat temperaturen onder de 18 en boven de 26 graden niet meer behaaglijk zijn. Overigens is dit mede afhankelijk van het soort werk dat men verricht.

FNV Bondgenoten is van mening dat b.v. als de verwarmingsinstallatie op kantoor is uitgevallen, er in principe niet meer kan worden gewerkt. Bij kantoorwerk beweegt men immers over het algemeen betrekkelijk weinig en is men ook onvoldoende warm gekleed.
Als de werkgever niet kan zorgen voor vervangende warmtebronnen of voor een andere warme werkruimte moet dit werk naar de mening van de bond worden stopgezet.

Als er werkzaamheden buiten plaatsvinden (glazenwassers of gevelreinigers) speelt ook de wind een rol. Bij sterke wind in combinatie met kou bestaat het gevaar van bevriezing van ledematen. Ook dit werk mag wat ons betreft dus niet meer plaatsvinden.

Vanuit de installatiebranche en aan de bouw verwante sectoren kregen we een paar keer het verhaal dat de werkgever dit jaar geen verzekering voor vorstverlet heeft genomen en daarom van de werknemers verwacht dat ze doorwerken. Het is duidelijk dat dit geen reden mag zijn om werknemers aan acute gezondheidsrisico’s bloot te stellen.

Meer informatie

De wetsartikelen op een rij

” 1. Bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid legt de werkgever in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Deze risico-inventarisatie en -evaluatie bevat tevens een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.

2. De risico-inventarisatie en -evaluatie bevat een lijst van arbeidsongevallen waarop de aard van het ongeval en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd.

3. Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico’s en de samenhang daartussen een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt deel uit van de risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van aanpak over de uitvoering waarvan jaarlijks schriftelijk wordt gerapporteerd, wordt tevens aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. De werkgever voert over de jaarlijkse rapportage vooraf overleg met de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging, of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. Bij dit overleg komt in ieder geval aan de orde het al dan niet meer actueel zijn van de risico-inventarisatie en -evaluatie.

4. De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven.

5. De werkgever zorgt ervoor dat iedere werknemer kennis kan nemen van de risico-inventarisatie en -evaluatie, met inbegrip van de lijst van arbeidsongevallen bedoeld in het tweede lid.

6. Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en -evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico’s voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats. Opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer. “

” 1. Het klimaat op de arbeidsplaats veroorzaakt geen schade aan de gezondheid van de werknemers.

2. Het klimaat op de arbeidsplaats is zo behaaglijk en gelijkmatig als redelijkerwijs mogelijk. Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die het gevolg is van die werkzaamheden.

3. Hinderlijke tocht op de arbeidsplaats wordt vermeden tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

4. Indien door het klimaat op de arbeidsplaats toch schade aan de gezondheid van de werknemers kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een klimaat heerst als bedoeld in het eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.”

1. Er is sprake van een behaaglijk en gelijkmatig klimaat indien bij toepassing van de norm NEN-EN-ISO 7730:1996 “Gematigde thermische binnenomstandigheden. Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid”, de PMV-waarde tussen – 0,5 en + 0,5 ligt, of indien minder dan 10 % van de werknemers klachten over het klimaat kenbaar maakt. Een overschrijding van die grenzen gedurende 10% van de verblijfstijd is acceptabel.

….

3. Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een lage omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, voldoet het klimaat aan de norm NVN-ISO/TR 11079:1996 “Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding”, rekening houdend met de koude-beschermende kleding die de werknemer draagt.

4. Bij overschrijding van de referentiewaarden in de bovengenoemde normen dient de werkgever de thermische belasting op de betreffende arbeidsplaats met behulp van passende maatregelen te verminderen, zo veel mogelijk in eerste aanleg bij de bron van de thermische belasting.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen.

Paragraaf 6 Hoofdstuk 6 Fysische factoren
Beleidsregel 6.1 Arbobesluit

Vier fysische factoren zijn bepalend in de ervaring van het klimaat: luchttemperatuur, stralingswarmte, luchtsnelheid en relatieve vochtigheid. Door de grote individuele verschillen in de subjectieve ervaring van temperatuur is het praktisch onhaalbaar om deze klimaatfactoren zo te manipuleren dat 100 %

van de mensen een behaaglijk klimaat ervaart, afgezien nog van de installatie-technische conse-quenties.

De norm NEN-EN-ISO 7730 levert een voorspelling op van de gemiddelde beleving van het klimaat van een grote groep mensen (PMV = Predicted Mean Vote) uitgaande van de meetwaarden van de genoemde fysische factoren. Vervolgens is te voorspellen hoe groot het percentage van de mensen is dat een onbehaaglijk klimaat ervaart (PPD = Predicted Percentage of Dissatisfied). Een berekende PMV-waarde tussen – 0,5 en + 0,5 correspondeert met een voorspeld maximum van 10 % ontevredenen. Dit is algemeen aanvaard als criterium voor toelaatbare thermische belasting. Onder invloed van meteorologische omstandigheden zal in een warme zomer, ook in gebouwen die qua bouwfysica en inrichting adequaat zijn, de PMV-waarde een gedeelte van de werktijd hoger worden dan + 0,5. Wanneer het binnenklimaat in gebouwen tijdens werktijden altijd moet voldoen aan het criterium -0,5 =PMV =+0,5, zal dit noodzakelijkerwijs leiden tot het installeren van koeling in de luchtbehandelingsinstallaties. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat in gebouwen met mechanische

koeling gemiddeld meer binnenklimaat- en gezondheidsklachten voorkomen dan in vergelijkbaregebouwen zonder koeling.

De norm NEN-ISO 7243 beschrijft een methode voor het bepalen van de invloed van omgevings-warmte. Het betreft hier de bepaling van het gemiddelde effect van warmte op mensen gedurende een periode die representatief is voor hun activiteit. In bijlage A van deze norm zijn referentiewaarden opgenomen voor een WBGT-index (WBGT = Wet Bulb Globe Temperature). Bij overschrijding van deze referentiewaarden kan volgens een methode beschreven in de bijlagen A, B en C van de norm

NEN-ISO 7933, een meer nauwgezette analyse beoordeling volgen.

Als werkzaamheden bij een lage omgevingstemperatuur plaatsvinden kan koude de warmtebalans van het lichaam ernstig in gevaar brengen. Juiste kleding kan het verlies van lichaamswarmte tegen-gaan. De norm NE N-ISO/TR 11079 beschrijft een methode om daarvoor de benodigde kledingisolatie te bepalen. Alvorens metingen te verrichten is het raadzaam om in het kader van een risico-inventarisatie de individuele beleving van de klimaatomstandigheden te inventariseren. Indien er geen klachten zijn of indien er geen twijfel bestaat over het bereiken van de referentiewaarden in de norm die op de betref-fende situatie van toepassing is, kunnen metingen achterwege blijven. Indien dergelijke referentie-waarden blijkens metingen worden overschreden of indien daarvoor vermoedens bestaan, zijn passende maatregelen noodzakelijk. De meeste prioriteit verdienen daarbij maatregelen die de bron van de klimatologische invloed bestrijden of wegnemen. Op de tweede en derde plaats kan daarbij achtereenvolgens gedacht worden aan maatregelen voor collectieve bescherming of voor individuele bescherming. Voor klimaatregeling en ventilatie op zeeschepen gelden de bepalingen van internationale verdragen,

waaronder die van de International Maritime Organisation (IMO). Voor luchtvaartuigen gelden bepalin-gen op grond van de certificatie-regelgeving van de Joint Airlines Association (JAA).

De uitgangspunten van de Arbeidsinspectie

De Arbeidsinspectie heeft een interne richtlijn hoe om te gaan met problemen rond het (binnen)klimaat.
Klik hier om kennis te nemen van deze zeer informatieve richtlijn (pdf-dokument, 84kB).

Terug naar top