Verklaring 3 december 1998 van Stichting van de Arbeid over arboconvenanten

0

Convenanten: maatwerk in arbeidsomstandigheden

1. Inleiding

De overheid en de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties achten de kwaliteit van de arbeid van cruciaal belang voor het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid, voor het welbevinden van werknemers en voor het goed functioneren van ondernemingen. Goede arbeidsomstandigheden kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren. De Arbeidsomstandighedenwet biedt kaders en instrumenten om de veiligheid en gezondheid op het werk te bevorderen. In het verleden zijn in veel ondernemingen reeds maatregelen genomen om ongevallen- en gezondheidsrisico’s te voorkomen of te verminderen. Ook zijn in een aantal bedrijfstakken afspraken gemaakt ter verbetering van arbeidsomstandigheden in bedrijven. Desondanks is het aantal werknemers dat te maken heeft met arbeidsrisico’s nog groot. Het betreft met name de risico’s fysieke en psychische belasting, schadelijk geluid en gevaarlijke stoffen. De aan arbeidsomstandigheden verbonden kosten van ziekteverzuim, arbeidsongeschiktheid en medische consumptie zijn eveneens nog hoog. De deelnemende partijen aan het Najaarsoverleg voelen zich gezamenlijk verantwoordelijk voor de noodzakelijke verdere verbetering van arbeidsomstandigheden.

2. Convenanten zijn instrument voor maatwerk in bedrijfstakken en bedrijven Partijen zijn van mening dat convenanten een belangrijke aanvulling kunnen vormen op het bestaande instrumentarium voor de aanpak van arbeidsrisico’s op ondernemingsniveau zoals de risico-inventarisatie en evaluatie, het plan van aanpak in bedrijven en de aansluiting bij Arbo-diensten. Convenanten zijn een belangrijk instrument ter bevordering van maatwerk in bedrijfstakken en bedrijven. Afspraken in convenanten kunnen per bedrijfstak verschillen en per onderneming nader worden ingevuld. Partijen roepen werkgevers en werknemers op bedrijfstakniveau op om de mogelijkheid van het afsluiten van convenanten te onderzoeken en te benutten. Door convenanten op bedrijfstakniveau af te sluiten, kan door werkgevers en werknemers ook een relatie worden gelegd met CAO-afspraken in de bedrijfstak. Partijen bevelen aan dat het thema arbeidsomstandigheden een reguliere plaats krijgt in het CAO-overleg in de verschillende bedrijfstakken. Op centraal niveau zullen overheid en sociale partners in de Stichting van de Arbeid jaarlijks overleggen over de voortgang van de convenantenaanpak.

3. Het gaat om ernstige arbeidsrisico’s

Partijen zijn van mening dat convenanten een belangrijk instrument zijn voor de preventie van ernstige arbeidsrisico’s: risico’s waarmee een groot deel van de beroepsbevolking te maken heeft en die omvangrijke dan wel ernstige gevolgen hebben in termen van gezondheidsklachten, medische consumptie, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Tillen, werkdruk en repeterende bewegingen hebben de grootste volume-effecten in de sfeer van gezondheidszorg en sociale verzekeringen. De arbeidsrisico’s geluid, gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen, allergene stoffen en kwarts) hebben minder grote volume-effecten, maar er is wel een relatief groot aantal werknemers dat met deze risico’s te maken heeft, waarbij het risico op blijvende -en ernstige- gezondheidsschade aanwezig is. Dit sluit niet uit dat over andere risico’s afspraken gemaakt kunnen worden.

4. Kwantitatieve afspraken zijn een belangrijke succesfactor

Partijen zijn van mening dat voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het verminderen van arbeidsrisico’s effectieve, zo mogelijk kwantitatieve, afspraken met betrekking tot preventieve maatregelen en afspraken over implementatie belangrijke succesfactoren zijn. Partijen bevelen werkgevers en werknemers op bedrijfstakniveau aan dergelijke afspraken in convenanten op te nemen, evenals afspraken over monitoring en evaluatie.

5. Financiering vindt plaats door overheid en bedrijfstak gezamenlijk Vanuit de verantwoordelijkheid van partijen -de bedrijfstak en de overheid- worden afspraken gemaakt over de voorbereiding, uitvoering en de financiering van het convenant. Uitgangspunt is dat convenantspartijen gezamenlijk bijdragen aan de financiering, waarbij de hoogte van de bijdrage van de overheid en van de bedrijfstak mede afhankelijk zijn van de aard en inhoud van het convenant en de financiƫle draagkracht van de bedrijfstak en de individuele ondernemingen.

De overheid stelt financiƫle middelen ter beschikking onder de voorwaarde dat goede afspraken gemaakt worden over kwantitatieve doelen, implementatie en monitoring/evaluatie. De basis hiervan wordt gevormd door onderzoek naar de stand der techniek en de huidige toepassing daarvan. Voorts is het streven de afspraken te betrekken op de ontwikkeling van een structurele arbovoorziening (bijvoorbeeld een platform als kennis- en informatiecentrum), en kunnen afspraken gemaakt worden over de ontwikkeling van branche-specifieke instrumenten (bijvoorbeeld branche-specifieke risico-inventarisatie en evaluatie en werkboek) over ontwikkeling en uitvoering van voorlichting aan werkgevers en werknemers in de bedrijfstak en het ontwikkelen en toepassen van innovatieve arbeidsmiddelen en -methoden, bijvoorbeeld via pilotprojecten.

Aldus overeengekomen op 3 december 1998 door Kabinet en Stichting van de Arbeid.

Namens het Kabinet, de Staatssecretaris van

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(drs. J.F. Hoogervorst)

Namens de Stichting van de Arbeid, VNO-NCW(drs. J.C. Blankert) voorzitter vereniging voorzitter Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV)(L.J. de Waal)

voorzitter Kon. Vereniging MKB-Nederland(drs. J. de Boer)

voorzitter Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV)(mr. A.A. Westerlaken)

voorzitter Land- en Tuinbouworganisaties Nederland(G.J. Doornbos)

voorzitter Vakcentrale voor Middelbaar en Hoger Personeel MHP(A.H. Verhoeven)