Arbosite FNV Bondgenoten: Persbericht SZW

0

(Toespraak Henk van der Kolk, voorzitter FNV Bondgenoten d.d. 2 april 2004)

Het aardige van het werken voor en functioneren in een vakbond is dat je met tal van werknemers in verschillende bedrijven spreekt. Goede bedrijven en slechte bedrijven, vaak in dezelfde branche. Enige tijd geleden was er op een conferentie over arbeidsomstandigheden in één workshop een presentatie van kaderleden uit twee bedrijven in de installatie- en isolatiebranche. Kaderleden uit het eerste bedrijf vertelden van een incident. Ze moesten een reparatie verrichten in de metro van Rotterdam. Het was totaal onduidelijk hoe ze bij de betreffende plek moesten komen. Ze gingen bij de opdrachtgever navraag doen. Hoe had men gedacht dat deze klus moest worden geklaard. ‘Geen idee’ was het antwoord, ‘jullie zijn toch de vakmensen?’.

Volgens het kaderlid bij het tweede bedrijf zou zoiets bij ‘zijn’ bedrijf nooit hebben plaatsgevonden. Ruim voor elke opdracht moet de opdrachtgever een uitgebreide vragenlijst invullen. De formulieren worden onder de toehoorders van de workshop verspreid. Het ziet er goed, professioneel uit. ‘Maar zit de opdrachtgever nou wel te wachten op een bedrijf waar je eerst een lange intakelijst moet invullen?’ wordt er in de zaal geroepen. ‘Wel degelijk’ antwoordt het kaderlid, ‘Want de klant gaat liever met een professioneel bedrijf in zee. En de klant beseft dat een goede voorbereiding het halve werk is.’

Dit voorval illustreert waar, naar de mening van de vakorganisaties, het arboconvenant voor deze sector toe moet leiden. Het gaat in feite om een andere kijk op vakmanschap. De vakman is niet iemand die je een idiote opdracht kunt voorschotelen en die deze vervolgens zonder kleerscheuren uitvoert. De vakman (of vakvrouw) is iemand die met moderne hulpmiddelen een optimaal resultaat voor de klant neerzet. En dat niet alleen nu, maar deze vakman is ook over twintig jaar nog niet versleten.

Die slijtage is een somber toekomstbeeld voor de werknemers in de branche. De cijfers uit de verschillende onderzoeken gedaan voor het arboconvenant laten een ernstig probleem zien. Er wordt véél te veel getild in de sector. De lichamelijke belasting is hoger dan in aanpalende sectoren als de industrie of de motorvoertuigenbranche. Je zal ook maar de hele dag radiotoren of verwarmingsketels moeten dragen. Of je zal maar leidingen moeten trekken of in kruipruimtes moeten bewegen. Klachten kunnen niet uitblijven. Dit wordt ook gestaafd door onderzoek gedaan in de aanloop naar het arboconvenant. Bijna zestig procent van de werknemers heeft de afgelopen 12 maanden regelmatig of langdurig klachten gehad aan het bewegingsapparaat. Het overgrote deel van de werknemers vindt dat er een relatie is tussen de klachten en het werk. Bijna de helft van het aantal ziektegevallen per jaar (44%) betreft klachten aan het bewegingsapparaat.

Wat ons betreft is dit arboconvenant essentieel om ervoor te zorgen dat werknemers een perspectief krijgen op een gezonde toekomst. En dat geldt natuurlijk voor alle arboconvenanten. Het zou daarom ook doodzonde zijn als de geruchten dat de overheid gaat bezuinigen op arboconvenanten waar zouden zijn. Wij krijgen die signalen. Ik kan het me haast niet voorstellen dat de staatssecretaris, die toch zo blij is met de convenanten, die zegt dat ze zo succesvol zijn, dat hij daarop zou bezuinigen. Arboconvenanten besparen de maatschappij geld in plaats van dat ze geld kosten. Ze dringen het ziekteverzuim terug. En de WAO-instroom. En ze zorgen ervoor dat mensen gezond hun pensioen in gaan. Waarom zou iemand daar op willen bezuinigen?

Arboconvenanten werken, dat kunnen we zien. Zoals veel arboconvenanten bevat ook dit convenant een aantal belangrijke toetsbare doelstellingen: het percentage werknemers dat regelmatig zwaar werk verricht wordt verminderd met één-vijfde; het ziekteverzuim wordt teruggebracht met tien procent; hetzelfde geldt voor de wao-instroom. Bij de vraag of een doelstelling is gehaald wordt gecorrigeerd naar de landelijke trend. Als we Staatssecretaris Rutte mogen geloven hoeft dat overigens geen probleem te zijn, het ministerie van SZW meent immers dat het ziekteverzuim alleen daalt in sectoren waar een arboconvenant is afgesloten. Doelstellingen zijn belangrijk om te meten of een arboconvenant in zijn opzet is geslaagd. Belangrijker echter zijn de maatregelen die in het convenant zijn afgesloten om die gezonde werkplek te realiseren. Dit arboconvenant laat wat dat betreft een wisselend beeld zien. De lijst aanbevelingen is indrukwekkend. Het varieert van opleiding van project- en montageleiders voor een betere planning en logistiek. De communicatie tussen partijen in het bouwproces wordt verbeterd. Er komen procedures voor warm werk en werk in kruipruimten. Een branchewebsite biedt informatie aan partijen. Een goede taakbelasting en momenten van herstel in het werk worden ingevoerd. Een breed palet van maatregelen die ook bij onze achterban goed is ontvangen. De vraag is vervolgens wel wat bijvoorbeeld de inhoud is van die procedures, of hoe die ‘goede taakbelasting’ eruit komt te zien. De goede lezer van het arboconvenant constateert vervolgens dat hierover nog verder moet worden gepraat in het eerste halfjaar van het arboconvenant. FNV Bondgenoten, de CNV Bedrijvenbond en De Unie zullen zich ook de komende tijd inzetten in de BBC voor een verdere concretisering van deze maatregelen. Daarbij zullen we ook het onderwerp ‘werkdruk’, in combinatie met fysieke belasting, niet schuwen. Het onderwerp werkdruk is een van de heikele thema’s geweest in de aanloop naar het arboconvenant. Volgens werkgevers is er namelijk helemaal geen werkdruk in de sector. Uit het onderzoek gedaan in opdracht van de BBC blijkt echter dat de werkdruk in de branche hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. En dan te bedenken dat Nederland internationaal gezien ‘topscorer’ is in hoge werkdruk. Ook de relatie met de leiding en het plezier in het werk kan beter. Over deze onderwerpen zijn in het arboconvenant ook doelstellingen opgenomen.

Dan ben ik bijna aan het eind van mijn betoog gekomen. Ik zie de werkgevers al opgelucht adem halen want ik heb niet gesproken over die vermaledijde beleidsregel ’tillen op bouwplaatsen’. Ik kan hier ook kort over zijn. Wat de vakbeweging betreft is nieuwe regelgeving geen doel op zich maar een middel. Het gaat er om wat je met dit middel wilt bereiken. En dat is bescherming van de gezondheid van de werknemers en het gebruik van de modernste inzichten en hulpmiddelen om dat doel te bereiken. In een aantal bedrijven in de branche gebeurt dat al vanzelf, daarvan getuigt ook het voorbeeld aan het begin van mijn speech. Het kan en dus moet het ook. Wat ons betreft kan een arboconvenant het vehikel zijn om die gezonde werkplek te bereiken, maar een beleidsregel is net zo’n goed vehikel. Maar wat ons betreft halen we in 2006 de doelstellingen van het arboconvenant en is een beleidsregel hoogstens een bekrachtiging van een gegroeide praktijk. De werknemers in de branche verdienen een gezonde toekomst.