Ministerie van Sociale Zakenen Werkgelegenheid

0
Een adequaat meldings- en registratiesysteem voor klachten over agressie en geweld, seksuele intimidatie en pesten op het werk kan tot actievere en snellere interventies leiden. Ook moeten de risico-inventarisatie en -evaluatie en het plan van aanpak die werkgevers op grond van de Arbowet moeten maken, aandacht geven aan deze ongewenste gedragingen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal over deze onderwerpen voorlichtingsmateriaal verspreiden aan werkgevers, werknemers en arbodiensten. In 2001 komt een inventarisatie van goede voorbeelden voor preventie en aanpak van ongewenste omgangsvormen op het werk.

Staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schrijft dit in een brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van het rapport “Evaluatie Arbowet over seksuele intimidatie, agressie en geweld en pesten op het werk”. Doel van het onderzoek was om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de Arbeidsomstandighedenwet op het gebied van agressie en geweld, seksuele intimidatie en pesten op het werk. In 1994 is de Arbowet uitgebreid met de verplichting voor werkgevers om werknemers te beschermen tegen agressie en geweld en seksuele intimidatie.

Ruim een derde van alle werknemers heeft op het werk te maken met agressie en geweld, één op de tien werknemers heeft last gehad van seksuele intimidatie en zestien procent werd gepest, zo blijkt uit het onderzoek. Veel slachtoffers melden hun ervaring aan een persoon of instantie die actie kan ondernemen. Desondanks verandert er vaak niets op het werk of voor het slachtoffer.

Verbaal geweld is de meest voorkomende vorm van agressie. Vooral werknemers die direct contact met publiek hebben, zoals baliemedewerkers, telefonisten en verpleegkundigen, hebben hier mee te maken. Bijna de helft van de daders is klant of bezoeker van het slachtoffer. Ook patiënten, leerlingen en voorbijgangers worden als daders genoemd. In de gezondheidszorg heeft de helft van de werknemers met agressief gedrag te maken. Andere bedrijfstakken waar werknemers veel met agressie en geweld worden geconfronteerd zijn het vervoer, de handel en de horeca. In de zakelijke dienstverlening komt agressie en geweld relatief weinig voor.

Het is moeilijk om de ware omvang van het verzuim als gevolg van confrontatie met agressie en geweld, seksuele intimidatie en pesten op de werkvloer te bepalen, zo blijkt uit het onderzoek. Dit komt omdat er geen goed registratiesysteem is, niet alle incidenten gemeld worden en melding vaak niet tot verandering leidt. Omdat de werkgevers geen goed zicht hebben op de gevolgen van agressie en geweld, seksuele intimidatie en pesten, is het voor hen moeilijk om de kosten van mogelijke investeringen af te wegen tegen de kosten van verzuim.

Uit het onderzoek komt naar voren dat van alle slachtoffers van pesterijen 22 procent als gevolg van het pesten enige tijd ziek thuis is gebleven. Dit verzuimpercentage is aanmerkelijk hoger dan het verzuim van slachtoffers van agressie en geweld (9 procent) en seksuele intimidatie (7 procent). Bij pesten gaat het vooral om opmerkingen en grapjes maken ten koste van het slachtoffer, ongelijke behandeling, negeren, schelden, intimideren, openlijk terechtwijzen en eigendommen beschadigen. Bijna tweederde van de slachtoffers (64 procent) wordt door collega s gepest. Eén op de tien ondervraagde werknemers werd gepest door een leidinggevende. Ook leerlingen, klanten, bezoekers en patiënten worden als daders genoemd.

Bij seksuele intimidatie gaat het voornamelijk om het maken van dubbelzinnige opmerkingen en handtastelijkheden of pornografische posters en tijdschriften op het werk. Uit het onderzoek blijkt dat seksuele intimidatie een uitingsvorm van machtsmisbruik is. Wanneer binnen een bedrijf een sterk hiërarchische sfeer heerst, maakt dit de organisatie gevoelig voor seksuele intimidatie. Zo bestaat er in de organisatie soms een machocultuur. Werknemers die op enige wijze niet passen binnen de groep lopen dan een grotere kans om te worden lastiggevallen.

De wetswijziging van 1994 was bij 11 procent van de werkgevers aanleiding om vooral de opvang en nazorg te verbeteren. De Arbowet was voor werkgevers tevens aanleiding om het gevoerde beleid te formaliseren door dit bijvoorbeeld in een handboek of procedure vast te leggen. De Arbowet heeft bij 18 procent van de werkgevers een rol gespeeld bij maatregelen tegen seksuele intimidatie. Het bespreken van seksuele intimidatie in het werkoverleg en aandacht in het personeelsblad zijn de belangrijkste preventieve maatregelen. Een meldpunt en het aanstellen van een vertrouwenspersoon zijn de meest genomen maatregelen voor opvang en nazorg. Dit gebeurt vooral in grotere organisaties.

De onderzoekers adviseren om werknemers meer voorlichting te geven over gedragsregels en de mogelijkheden om ervaringen met het ongewenste gedrag te melden. Werkgevers zouden beter voorgelicht moeten worden over de regels van uitvoering van de risico-inventarisatie en -evaluatie en naleving van het eventuele plan van aanpak en de rol die arbodiensten daarbij kunnen spelen. Ook moet er een betere registratie komen van agressie en geweld, seksuele intimidatie en pesten op de werkvloer en de gevolgen daarvan, zoals verzuim. Een verbetering van de positie van vertrouwenspersonen binnen de organisatie is volgens de onderzoekers noodzakelijk. Ondanks de toename van het aantal vertrouwenspersonen in 1995 zijn zij in 66 procent van de bedrijven nog niet aangesteld.

Staatssecretaris Hoogervorst heeft de aanbevelingen grotendeels overgenomen. Hij schrijft dat in 2005 opnieuw een evaluatie van de Arbowet op deze onderdelen zal worden uitgevoerd.

Het rapport “Evaluatie Arbowet over seksuele intimidatie, agressie en geweld en pesten op het werk” kost f 35,- en is te verkrijgen bij Elsevier Bedrijfsinformatie bv, postbus 2500 BM Den Haag. Telefoon 070 – 4415555