Daglichtbepalingen arbobesluit

0

AFDELING 2 VERLICHTING

Artikel 6.3 Daglicht en kunstlicht

  1. Arbeidsplaatsen en de directe toegangen daartoe zijn gedurende de aanwezigheid van de werknemers door daglicht, door kunstlicht of door

    beide voldoende en doelmatig verlicht.

  2. Het kunstlicht is zodanig aangebracht dat gevaar voor ongevallen is
    voorkomen.
  3. De voor kunstlicht gebruikte kleur mag de waarneming van de veiligheids- en gezondheidssignalering, bepaald bij of krachtens afdeling

    2 van hoofdstuk 8, niet wijzigen of beïnvloeden.

  1. In een uitwendige scheidingsconstructie van een besloten ruimte waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid wordt verricht, zijn doorzichtige lichtopeningen aangebracht waardoor daglicht kan toetreden. Het gezamenlijk oppervlak van de lichtopeningen bedraagt

    ten minste 1/20 van het vloeroppervlak van die ruimte.

  2. De lichtopeningen mogen zich ook bevinden in de inwendige scheidingsconstructie van de besloten ruimte, voor zover die constructie niet de scheiding vormt met een andere besloten ruimte als bedoeld in het eerste lid of met een ruimte als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 1,

    paragraaf 5.

  3. Het eerste of tweede lid geldt niet indien daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan. In dat geval wordt het vereiste minimum oppervlak aan lichtopeningen van 1/20 van het vloeroppervlak zo dicht mogelijk benaderd.

Alleen voor de industrie en de restgroepen bestonden (complexe) bepalingen over daglicht. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is een eenvoudiger daglichtbepaling opgenomen, die aansluit bij zowel de richtlijn arbeidsplaatsen als bij de terminologie van het Bouwbesluit. Het desbetreffende artikel 6.4 geldt voor alle maatschappelijke sectoren. Hoewel het onderhavige besluit geen uitzichtbepaling meer bevat, betekent het voldoen aan genoemde daglichtbepaling, dat feitelijk bijna altijd uitzicht bestaat.

6.5 Afdeling 2 (Verlichting)

6.5.1 Algemeen

Ook voor de uitvoerige en gedetailleerde daglicht- en uitzichtbepalingen die in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen waren opgenomen komt in hoofdstuk 6 een eenvoudiger en makkelijker te hanteren bepaling terug. Wat de daglichttoetreding betreft op de plaats waar de arbeid wordt verricht, is in grote lijnen dezelfde bepaling opgenomen die voorheen het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen kenden, met dien verstande dat deze verplichting alleen dan geldt indien zulks redelijkerwijs kan worden gevergd. De redelijkerwijsclausule biedt ruimte voor een meer flexibele toetsing van de situaties op de werkplek. Wanneer het in acht nemen van de daglichtnorm, zoals hij hier is voorgeschreven te zeer andere belangen waarvoor de werkgever zorg moet dragen schaadt moet de werkgever een belangenafweging maken tussen het belang dat met de norm is gediend en die andere belangen. Met name de technische, operationele en economische haalbaarheid spelen daarbij een rol. Zie omtrent de invulling van de redelijkerwijsclausule paragraaf 7.5 van het algemeen deel van de nota van toelichting.

Directe toetreding van daglicht door middel van de buitengevels kan in elk geval niet redelijkerwijs worden gevergd in de situaties die voorheen specifiek waren geregeld bijvoorbeeld indien de aard van de werkzaamheden zich verzet tegen toetreding van daglicht of wanneer voldoende daglicht toetreedt via een inpandige glaswand. Omtrent het verschaffen van uitzicht door de werkgever vanuit de plaats waar de arbeid wordt verricht wordt geen voorschrift meer gesteld. De redenen hiervoor zijn reeds in het algemeen deel van de nota van toelichting toegelicht. Verder zijn de bepalingen uit het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen met betrekking tot kunstverlichting en de mogelijkheid om invallend zonlicht te weren overgenomen.

6.5.2 Artikelsgewijze toelichting

Artikel 6.3 (Daglicht en kunstlicht) In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen met betrekking tot de verlichting van de arbeidsplaats. Verlichting kan plaatsvinden door daglicht dan wel door kunstlicht. Uitgangspunt is dat op iedere arbeidsplaats daglicht moet kunnen toetreden. Het zal dan ook in het algemeen gaan om een combinatie van beiden. De bepalingen zijn sterk vereenvoudigd ten opzichte van de bepalingen die voorheen in de sectorbesluiten waren opgenomen.

In dit artikel is de verplichting voor de werkgever opgenomen om ervoor te zorgen dat arbeidsplaatsen gedurende de aanwezigheid van de werknemers voldoende en doelmatig zijn verlicht. Wat onder doelmatig en voldoende moet worden verstaan is uitgelegd in een met betrekking tot dit artikel voorgestelde beleidsregel. In die beleidsregel wordt verwezen naar de Nederlandse norm NEN 3087: Visuele ergonomie in relatie tot verlichting – Principes en toepassingen. Het kunstlicht is zodanig aangebracht dat geen gevaar voor ongevallen ontstaat. Deze bepaling was voorheen ook in de sectorbesluiten opgenomen.

Artikel 6.4 (Daglicht)
In deze bepaling is de nieuwe daglichtnorm opgenomen. Met deze bepaling, die eenvoudiger is dan de daglichtbepaling die voorheen in het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen was opgenomen, wordt enerzijds aansluiting gezocht bij hetgeen in de richtlijn arbeidsplaatsen hieromtrent is geregeld. Hierin is bepaald dat voor zover dit mogelijk is daglicht op de werkplek moet kunnen toetreden. In dit artikel is opgenomen dat in besloten ruimten waar gemiddeld meer dan twee uur per dag wordt gewerkt daglicht moet kunnen toetreden tenzij zulks, conform het derde lid, redelijkerwijs niet kan worden gevergd. De twee uur norm is overgenomen uit het voormalige Veiligheidsbesluit restgroepen. Anderzijds is aansluiting gezocht bij de terminologie van het Bouwbesluit door het gebruik van de begrippen uitwendige en inwendige scheidingsconstructie. Ten slotte is de oude daglichtnorm zo dicht mogelijk benaderd. De norm, dat het gezamenlijk oppervlak van de lichtopeningen waardoor daglicht kan toetreden, ten minste 1/20 van het vloeroppervlak bedraagt, komt uit het Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen op dit punt. Hierbij is echter in het derde lid de clausule geplaatst, dat dit niet het geval hoeft te zijn als redelijkerwijs slechts een geringer deel, dat zo dicht mogelijk blijft bij 1/20 van het vloeroppervlak, aan lichtopeningen kan worden gevergd. Zie omtrent de invulling van de redelijkerwijsclausule paragraaf 7.5 van het algemeen deel van de nota van toelichting. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat in het tweede lid nu expliciet is aangegeven dat atria en serres, in overeenstemming met de bepalingen van het Bouwbesluit, zijn toegestaan.

§ 5.4.2 Vervallen verplichting: uitzicht

In het thans ingetrokken Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen 1938 en het Veiligheidsbesluit restgroepen was de verplichting opgenomen om op de arbeidsplaats daglicht- en uitzicht- voorzieningen aan te brengen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is het daglichtvereiste gehandhaafd (EG-verplichting), maar het uitzicht- vereiste geschrapt. Deze beslissing is mede genomen tegen de achter- grond van het door het kabinet ingenomen standpunt (bijvoorbeeld in de Sociale Nota 1995), dat de overheid op het gebied van arbeidsomstandigheden alleen verantwoordelijk is voor de vaststelling, bijstelling en handhaving van basisnormen. Een (strafrechtelijk gesanctioneerd) voorschrift om voor uitzicht op de arbeidsplaats te zorgen wordt tegen deze achtergrond niet gewenst geacht. Van de zijde van de werknemersvertegenwoordigers in de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER wordt daar tegenover gesteld dat het uitzichtvereiste zodanig belangrijk is voor werknemers, dat wetgeving op dit onderwerp niet gemist kan worden (zie hieromtrent paragraaf 12 van dit deel van de toelichting). Hierover kan worden opgemerkt dat door de overheid niet wordt betwist dat het bij uitzicht om een belangrijk onderwerp op het terrein van arbeidsomstandigheden gaat, doch dat het de vraag is of de overheid uitzicht als arbeidsomstandighedennorm wettelijk en strafrechtelijk gesanctioneerd moet regelen. Uitzichtnormering in de arbeidsomstandighedenwetgeving stuit bovendien in de handhavingspraktijk van de Arbeidsinspectie op grote weerstand, omdat strikte toepassing van die norm ten aanzien van met name bestaande gebouwen veelal ingrijpende en dure bouwkundige aanpassingen tot gevolg heeft. Het aanbrengen van uitzichtvoorzieningen bij nieuwbouw daarentegen brengt vaak veel minder hoge kosten met zich.

Overigens zal door het handhaven van de bestaande nationale invulling van het – uit een EG-verplichting voortvloeiende – daglichtvereiste in de praktijk veelal uitzicht blijven bestaan. Voorgeschreven is namelijk, dat in een besloten ruimte waar overdag door iemand gemiddeld meer dan twee uur arbeid wordt verricht, in de uitwendige scheidingsconstructie van de desbetreffende ruimte doorzichtige lichtopeningen moeten worden aangebracht waardoor daglicht kan toetreden. Dit betekent feitelijk in het merendeel van de situaties uitzicht. Het oppervlak van die lichtopeningen is in het onderhavige besluit nader bepaald. Afwijking van deze regel is slechts mogelijk als toetreding van daglicht redelijkerwijs niet mogelijk is (onder omstandigheden bijvoorbeeld in een foto-ontwikkelcentrale). Het begrip redelijkerwijs is nader uitgewerkt in paragraaf 7.5 van dit deel van de nota van toelichting.

§ 12.2 De voorhangprocedure van het Arbeidsomstandighedenbesluit bij de Staten-Generaal (uitsluitend het gedeelte over uitzichtsbepaling)

De op 30 november 1995 eveneens ingediende motie over uitzicht- normering, is door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met instemming van de Tweede Kamer, zo geïnterpreteerd dat hij ten behoeve van een mogelijke regeling in het Bouwbesluit, daartoe in overleg zal treden met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In afwachting van de uitkomst van dit overleg is deze motie aangehouden. Bij brief van 3 april 1996 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal meegedeeld, dat laatstgenoemde zijn mening over de uitzichtproblematiek deelt (kamerstukken II, 1995/96, 24 462, nr. 9). Volgens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer behoeft namelijk niet elk doel, hoe goed dan ook, met een strafrechtelijk gesanctioneerd voorschrift te worden afgedwongen. Het hebben van uitzicht is naar zijn mening zo’n doel dat niet met regelgeving behoeft te worden afgedwongen. Daarbij gaat het volgens hem niet alleen om uitzicht in de arbeidssituatie, maar om uitzicht in het algemeen. Ook in de bouwregelgeving, zo meldt deze staatssecretaris, is ervoor gekozen het zogenoemde uitzicht-criterium en daaraan gekoppelde eisen te laten vervallen. Aan deze keuze liggen, naast de noties met betrekking tot marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit, de navolgende, door hem genoemde overwegingen ten grondslag. Uit onderzoek is niet gebleken, dat het niet hebben van uitzicht schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast leidt realisatie van daglicht-toetreding in de regel ook tot het naar buiten kunnen kijken. Voorts leidt een eis tot uitzicht tot onnodige beperkingen voor het architectonisch ontwerp zoals bijvoorbeeld voor atrium-gebouwen, en mogelijkheden voor ondergronds bouwen. Bovendien is Nederland niet gehouden ter implementatie van enige EG-richtlijn, uitzichtnormen vast te stellen. Ten slotte, zo stelt deze staatssecretaris, kan het realiseren van uitzicht in veel gevallen aan de markt zèlf worden overgelaten. Gelet op de huidige wijze van bouwen en huisvesten, waarbij ondernemingsraden van te huisvesten organisaties veelal een belangrijke inbreng hebben, bestaat er zijns inziens geen aanleiding te veronderstellen, dat de markt gebouwen zal neerzetten waarin geen daglicht kan toetreden noch uitzicht bestaat. De markt zal immers gebouwen willen realiseren die verhuurbaar respectievelijk verkoopbaar zijn, en mitsdien om die reden rekening houden met de wensen van de gebruikers daarvan. Alles overziende, blijft voornoemde staatssecretaris dan ook van mening dat er geen (zwaarwegende) argumenten zijn om uitzichtnormering bij of krachtens het Bouwbesluit te regelen. Daarnaast deelt hij de mening van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat uitzicht- normering evenmin in het kader van de arbeidsomstandighedenregelgeving moet plaatsvinden. Om te voorkomen dat de eigenaar van een gebouw achteraf, na het ingebruiknemen daarvan, alsnog wordt geconfronteerd met verlangde bouwkundige aanpassingen, is het ongewenst dat de regels omtrent bouwkundige voorzieningen in Bouwbesluit respectievelijk Arbeidsomstandighedenbesluit uiteen gaan lopen. Hiertoe zijn in de artikelen 2 en 5 van de Woningwet ook voorzieningen opgenomen. Naar aanleiding van deze brief heeft op 29 mei 1996 opnieuw een algemeen overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid plaatsgevonden, waarbij tevens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aanwezig was (kamerstukken II 1995/96, 24 462, nr. 12). Zowel van de zijde van de kamer als van de zijde van het kabinet werden tijdens dit overleg de verschillende standpunten over dit onderwerp nog eens uiteengezet. De leden van de PvdA en D’66 bleven daarbij van mening dat uitzicht moet worden geregeld. De leden van CDA en VVD gaven daarentegen aan, een wettelijke regeling ter zake, welke bovendien de ontwikkelingen op architectonisch gebied in de weg staat, overbodig te achten.

Vervolgens is op 27 juni 1996 wederom plenair over daglicht- en uitzicht in de Tweede Kamer gesproken (Handelingen II, 1995/96, blz. 6611û6614 en 6698). Daarbij werd allereerst de motie op stuknummer 24 462, nr 3 ingetrokken. Daarvoor in de plaats werden twee nieuwe moties ingediend. De motie op stuknummer 24 462, nr. 10 verzoekt de regering de uitzicht-bepaling in het Arbeidsomstandighedenbesluit te moderniseren, in die zin, dat uitzicht moet worden geboden op de omgeving buiten het gebouw of op een overkapte binnenruimte van het gebouw, dat gedeeltelijk door glas is omsloten en tenminste twee verdiepingen hoog is. De motie op stuknummer 24 462, nr. 11 vraagt de regering een representatief onderzoek in te stellen naar oplossingsrichtingen en problemen die zich in praktijksituaties voordoen en naar de rol die ondernemingsraden daarbij spelen. Verder vraagt deze motie de regering de Tweede Kamer van bovenstaand onderzoek, met een evaluatie, op de hoogte te stellen. Nog dezelfde dag heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Tweede Kamer bericht laatste genoemde motie te zullen laten uitvoeren (kamerstukken II, 1995/96, 24 462, nr. 13). Beide moties zijn op 27 juni 1996 door de kamer aanvaard. Op 26 september 1996 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer bericht zich nader te willen beraden op de uitvoering van de motie op stuknummer 24 462, nr. 10. Een beslissing omtrent de uitvoering van genoemde motie wil voornoemde Staatssecretaris pas nemen op het moment waarop de resultaten van het door de Tweede Kamer gevraagde onderzoek bekend zijn en met de kamer zijn besproken. Bij het gevraagde onderzoek zullen, zo berichtte voornoemde Staatssecretaris aan de kamer, zowel werkgevers als werknemers als ook ondernemingsraden worden betrokken. De resultaten van dat onderzoek zullen voor de kamer op een zodanig tijdstip beschikbaar zijn dat deze nog voor het zomerreces van 1997 kunnen worden besproken. Deze brief is tijdens de procedurevergadering van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 15 oktober 1996 voor kennisgeving aangenomen. Vooralsnog is derhalve, in afwachting van een op basis van de resultaten van het hiervoor genoemde onderzoek met de kamer nog te voeren open discussie over mogelijke aanpassingen van de regelgeving inzake daglicht en uitzicht, medio 1997, geen bepaling over uitzicht- normering in dit besluit opgenomen.

§ 7.5 De redelijkerwijsclausule

Zowel in de Arbeidsomstandighedenwet zelf als in dit besluit wordt af en toe gebruik gemaakt van het begrip redelijkerwijs. In situaties waarin dit begrip wordt gebruikt, zijn maatregelen vereist, tenzij zulks redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze clausule heeft tot doel om afweging van de veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbelangen tegen andere belangen, waaronder ook economische, mogelijk te maken. Bij de beoordeling of een beroep op de redelijkerwijsclausule kan worden gehonoreerd, zullen met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de maatregelen enerzijds worden afgewogen tegen de mate van het door de arbeid veroorzaakte gevaar voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn bij de arbeid anderzijds. Gezien het karakter van deze clausule is deze alleen daar geformuleerd waar te implementeren EG-regelgeving zulks toelaat. Wat betreft het aspect van de technische haalbaarheid dienen werkgevers zich in beginsel te houden aan hetgeen overeenkomt met de algemeen erkende stand van de techniek en met de stand van de betreffende techniek in de betrokken bedrijfstak. Bij operationele haalbaarheid gaat het om situaties waarbij bepaalde maatregelen toch niet worden genomen, omdat zij in een ander opzicht de arbeidsomstandigheden van de werknemers weer bedreigen of bijvoorbeeld de produktkwaliteit substantieel beïnvloeden.

In situaties waarbij het treffen van maatregelen op financiële bezwaren stuit, zal in de praktijk met name rekening worden gehouden met te hoge absolute kosten en verstoorde concurrentieverhoudingen. Algemeen uitgangspunt daarbij is, dat in beginsel het doelstellingenniveau niet ter discussie staat, maar dat toegespitst op de concrete situatie de uitvoeringsmodaliteit, de wijze waarop of het tijdpad waarin het doelstellingenniveau bereikt kan worden, ter discussie staan. De werkgever zal in ieder geval aannemelijk moeten maken dat zijn beleid planmatig is gericht op de verwezenlijking van de gewenste situatie. Het inschatten van de redelijkheid van maatregelen is eerst en vooral, gezien de zelfwerkzaamheid, een taak van de werkgever. Uiteraard dient hierover overleg plaats te vinden met de (vertegenwoordigers) van de werknemers. Het ligt daarbij op de weg van de werkgever te beargumenteren waarom hij in een concrete situatie niet kan voldoen aan een in dit besluit gewenst doelstellingenniveau en om zonodig met alternatieven te komen. Daarbij zullen ook de deskundige werknemers, deskundige personen of diensten als bedoeld in artikel 17 van de wet, worden ingeschakeld. Indien er geen bevredigende oplossing kan worden bereikt, kan in het uiterste geval aan de Arbeidsinspectie een oordeel worden gevraagd.

§ 8.2 Beleidsregels

Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Het geeft bedrijven houvast bij de toepassing van wettelijke voorschriften en vergemakkelijkt de uitvoerende en handhavende taken van bestuursorganen. Zonder beleidsregels moet het bestuursorgaan een uitvoerings- of handhavingsbeschikking integraal motiveren. Zijn er beleidsregels vastgesteld, dan kan het bestuursorgaan ter motivering in beginsel naar die regel verwijzen. Wel moet daarbij altijd worden nagegaan of er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot afwijking van de beleidsregel. Dit betekent onder meer, dat als een bedrijf langs een andere, dan in de beleidsregel neergelegde, weg een gelijkwaardig beschermingsniveau weet te realiseren, deze weg door het bestuursorgaan gerespecteerd moet worden. Daarmee is een beleidsregel een wat flexibeler instrument dan een wettelijk voorschrift. Ten aanzien van de voorheen geldende arbeidsomstandighedenregelgeving hanteerde de Arbeidsinspectie vanouds Publicatiebladen, Concept- Publicatiebladen, Voorlichtingsbladen, Concept-Voorlichtings-bladen etcetera. Het gehele bestand omvatte zo’n 300 bladen. Ook hier is een grondige opschoning, modernisering en herstructurering doorgevoerd. Thans is een op het Arbeidsomstandighedenbesluit afgestemd nieuw stelsel van beleidsregels opgebouwd, ter nadere uitwerking van bepalingen van dat besluit, onder gelijktijdige intrekking van alle hiervoor genoemde bladen. De beleidsregels zullen voor de inwerkingtreding van dit besluit worden gepubliceerd in de Staatscourant. Gelijktijdig met het uitbrengen van deze beleidsregels zijn de hiervoor genoemde publicaties van de Arbeidsinspectie ingetrokken. Beleidsregels blijven – hoewel er geen juridische verplichting tot vaststelling daarvan bestaat – noodzakelijk. Ze hebben een informatieve waarde voor werkgevers (met name het midden- en kleinbedrijf) respectievelijk werknemers, en dragen bij aan een uniforme handhavingspraktijk door de Arbeidsinspectie; daarnaast verlichten ze, zoals eerder opgemerkt, de motiverings- en bewijslast voor deze dienst. Beleidsregels vormen evenwel een onvoldoende geëigend instrument ter implementatie van EG-regelgeving. Uiteraard zijn alleen beleidsregels opgesteld voor zover dat toegevoegde waarde heeft, noodzakelijk en mogelijk is gebleken. Door een te groot aantal beleidsregels zou de beoogde overzichtelijkheid van de nieuwe regelgeving immers in gevaar kunnen komen. Bij de vaststelling van beleidsregels is dan ook een zo terughoudend mogelijk beleid gevoerd. In het algemeen kan worden gesteld dat beleidsregels op arbeidsomstandighedenterrein aan de orde zijn, wanneer sprake is van een globaal wettelijk voorschrift dat in de praktijk nadere invulling behoeft én waarvoor geldt dat een bepaalde invulling voor het merendeel van de praktijksituaties toepasbaar is. Geen beleidsregels zijn nodig voor die globaal geformuleerde voorschriften, waarvan iedereen weet hoe het voorschrift in de praktijk behoort te worden uitgevoerd (bijvoorbeeld een doelmatig ingericht toilet), of in de gevallen waarin allerlei verschillende invullingswijzen naar hetzelfde niveau van arbeidsbescherming kunnen leiden. Daarnaast zijn er gevallen waarin het (nog) niet verantwoord is om met een nadere invulling te komen, omdat eerst nog de nodige beleidservaring moet worden opgedaan. Ten slotte is het niet efficiënt beleidsregels op te stellen ten aanzien van wettelijke voorschriften waarop slechts weinig frequent geïnspecteerd wordt.

Blijkens het advies van de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER over het Arbeidsomstandighedenbesluit hechten werknemersorganisaties groot belang aan een nadere uitwerking van globale normen in beleidsregels. Als voorbeelden worden onderwerpen genoemd zoals valgevaar en materiaaleisen met betrekking tot arbeidsmiddelen. Voor deze en andere onderwerpen worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit besluit beleidsregels van kracht. De betreffende beleidsregels zijn op 16 oktober 1996 voor advies voorgelegd aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER. In dit besluit is op basis van deze advies-aanvraag telkens bij de betreffende artikelen aangegeven of het voornemen bestaat een beleidsregel vast te stellen.