Dossier biotechnologie: de maatschappelijke kant

0

Laatste update: 12 februari 2002

Inleidend

In het debat over GGO (Genetisch Gemodificeerde Organismen) zijn verschillende invalshoeken te onderscheiden. Ten eerste is er de technische invalshoek, waarin de nadruk gelegd wordt op de technische mogelijkheden van het genetisch modificeren van organismen. Ten tweede de economische invalshoek waarin de nadruk wordt gelegd op de economische belofte van GGO. En in dit hoofdstuk wordt de derde invalshoek uitgewerkt, de maatschappelijke. Vanuit de maatschappelijke invalshoek wordt een antwoord gezocht op de vraag of het genetisch modificeren van organismen eigenlijk wel mag. Zijn hier geen fundamentele (maatschappelijke) waarden en normen die overtreden worden? Om de discussie hierover te starten, worden hieronder vier stellingen geïntroduceerd die de basis zijn voor verdere discussie binnen FNV Bondgenoten. Omdat het hier uiteindelijk gaat om de formulering van standpunten van de vakbond, wordt toegewerkt naar stellingen die ingaan op de positie van de werknemer.

Achtereenvolgens komen aan bod: · Plaatsbepaling in de discussie · Fundamentele verandering van organismen · De positie van de werknemer

· Techniek in verhouding tot het sociale

Plaatsbepaling in de discussie

De discussie over GGO is relatief kort gaande. De ontwikkelingen op het gebied van GGO zijn namelijk al veel langer gaande; GGO techniek wordt momenteel op redelijk grote schaal toegepast. Dit gebeurt voornamelijk bij micro-organismen, maar ook bij gewassen (maïs, soja, enz) en dieren (stier herman, schaap dolly, muizen voor bottengroei, varkens voor xenotransplantatie, konijnen voor melk tegen de ziekte van Pompe). De toepassingen lopen uiteen; er zijn momenteel farmaceutische toepassingen, voedseltoepassingen en technische toepassingen (zie paragraaf toepassingen uit stuk techniek). Volgens schattingen in sommige onderzoeken is GGO techniek al zover in het normale leven doorgedrongen dat het onmogelijk is te leven zonder met GGO in aanraking te komen.

Waarom heeft de discussie over biotechnologie opeens de kranten gehaald? In voorgaande jaren is er door bedrijven als Unilever, Akzo Nobel, DSM en wetenschappelijke instituten uitgebreid geëxperimenteerd met GGO. In het maatschappelijk debat zijn de voorbeelden en acceptatie van genetische modificatie in de farmaceutische industrie nauwelijks omstreden. In de agrofood-industrie is het altijd omstreden. De (commerciële) potentie van GGO wordt door bedrijven zeer hoog ingeschat. Bij presentatie blijkt echter dat de consumenten er op bepaalde gebieden zeer huiverig voor zijn. In de farmaceutische industrie lijken de voordelen en acceptatie onomstreden, maar zodra in de voedselketen van de mens of de mens zelf gemodificeerd wordt, komt de discussie anders te liggen. Dan wordt een aantal risico’s aan den lijve ondervonden. Consumenten willen zeker weten dat zij geen nadeel ondervinden door de toepassing van biotechnologie en zijn beducht voor risico’s van misbruik van kloontechnieken. Bedrijven die zich bezighouden met agrofood richten zich in deze fase vooral op voordelen van consumenten.

Het kabinet heeft een brede maatschappelijke discussie geëntameerd, waarin iedere burger een stem kon hebben. FNV Bondgenoten wil aan deze discussie een bijdrage leveren vanuit de specifieke vakbondsinvalshoek. Het gaat tenslotte niet alleen om burgers, maar ook om burgers in de hoedanigheid van werknemer. Een groot aantal werknemers zal in productieprocessen te maken krijgen met biotechnologie. Daarom zal ook vanuit de positie van de werknemer gekeken moeten worden naar de wenselijkheid van een grote GGO industrie. Onderwerpen die dan aan de orde dienen te komen zijn bijvoorbeeld: · Wat te doen met een werknemer die principieel tegen genetische modificatie is?

· Hoe wordt gegarandeerd dat werknemers veilig en gezond kunnen werken?

FNV Bondgenoten is ook een maatschappelijke vereniging. Zij praat niet alleen voor haar leden, maar heeft ook bredere doelen. Vanuit deze gedachte kan ook gesteld worden dat FNV Bondgenoten wel degelijk iets te zeggen heeft over de maatschappelijke wenselijkheid en/of randvoorwaarden aan biotechnologie. De vraag die beantwoord moet worden is tot hoever de vakbond moet gaan. In haar belangenbehartiging richt zij zich primair op de werknemers. Moet zij zich dan ook opstellen als belangenbehartiger van consumenten en maatschappij? Het vinden van de grens tussen deze twee opvattingen zal een voortdurend zoekproces zijn.

Stelling M1

FNV Bondgenoten moet volop meedoen in de discussie over genetische modificatie. De primaire rol ligt in de belangenbehartiging van werknemers. Daarnaast dient de bond zich actief op te stellen in de maatschappelijke component van het biotechnologiedebat.

Fundamentele verandering van organismen

Mag het eigenlijk wel? Heeft de mens het recht om zo fundamenteel in te grijpen in de wereld dat zij de wereld onherroepelijk verandert. De mens heeft in het verleden altijd al ingegrepen in de wereld, bijvoorbeeld door de wijze van produceren en het bouwen van steden, en zal dat waarschijnlijk ook blijven doen. Ook meer op micro niveau heeft de mens de wereld grondig veranderd. In de meer traditionele agrofood industrie is men voortdurend bezig geweest met het versnellen van processen op natuurlijke manier. Bij genetische modificatie is er sprake van het bewust muteren van genen waardoor organismen veranderd worden. Er is in feite een nieuwe manier gevonden om processen te versnellen.

Tegenstanders van de hierboven geschetste stelling vinden dat genetische modificatie echt iets anders is, het is een fundamentelere verandering van de hiervoor genoemde voorbeelden. De cellen van organismen worden gemuteerd, en dat is toch echt een stap verder dan via natuurlijke weg verandering te bewerkstelligen. Hier wordt in het hart van de identiteit van een gewas/dier/mens ingegrepen. Door mensen met een christelijke achtergrond wordt regelmatig aangedragen dat dit zo diep ingrijpt in het leven dat het niet strookt met het rentmeesterschap dat de mens (gekregen) heeft over de wereld. De gedachte dat biotechnologie in sommige opzichten te ver gaat is overigens absoluut niet voorbehouden aan een bepaald geloof. Zeker als het gaat om dieren en mensen zullen velen zich de vraag stellen of de mens het recht heeft om deze levende wezens te gebruiken voor genetische modificatie en tests.

Los van een positief of negatief antwoord op bovenstaande overwegingen is het de vraag of het feitelijk nu nog mogelijk is de discussie in te gaan met de stelling dat GGO niet mag. De werkelijkheid heeft ons ingehaald. Genetische modificatie is op vele gebieden al een fact of life. Dat betekent echter niet dat er geen grenzen aan GGO productie gesteld kunnen worden.

De discussie of de mens wel mag ingrijpen in de natuur is, zoals uit het bovenstaande duidelijk wordt, een discussie over grenzen. Wanneer gaat de mens te ver? Een aantal afwegingen dient in deze discussie in ogenschouw genomen te worden: · Dient een burger zich niet te kunnen vrijwaren van GGO’s? Als genetische modificatie toegelaten wordt, zou iedereen de keuzevrijheid moeten hebben om er niet mee in aanraking te komen. Er zijn momenteel wel etiketteringregels van kracht, maar het is de vraag of deze zijn duidelijk en volledig genoeg zijn. In ieder geval is meer transparantie gewenst m.b.t. de samenstelling van producten (daar waar het genetisch gemodificeerde componenten betreft) en de productieprocessen die hieraan vooraf gaan. · In de paragraaf regelgeving in het hoofdstuk techniek, wordt de bestaande regelgeving m.b.t. biotechnologie beschreven. In deze regelgeving worden voorwaarde aan de werkomgeving (laboratorium, plantenkas, etc.) gesteld. Tevens wordt per toepassing beoordeeld op basis van een nut/risico afweging of voor de toepassing een vergunning wordt verleend. Het is echter de grote vraag of deze vorm van regelgeving voldoende is om ongewenste effecten van biotechnologie te voorkomen. Het lijkt vrij gemakkelijk de regelgeving te ontduiken, met alle mogelijke gevolgen van dien. En, wie bepaalt het nut? En soms zal het heel moeilijk zijn nut tegen risico af te wegen, omdat het nut voor iemand anders is dan het risico. Er bestaat een grote kans op afwenteling van risico’s en dus de daarmee gepaard gaande kosten. De producent verdient, en de maatschappij draait op voor de kosten om ongewenste effecten ongedaan te maken. Zou de maatschappij zich niet op een of andere manier moeten kunnen bemoeien met de bepaling van het nut?

· Als de overheid investeert in biotechnologie, ligt het dan niet voor de hand dat zij ook investeert in het verbeteren van meer natuurlijke processen? De gedachte hierachter is dat niet alle kaarten gezet moeten worden op GGO, zeker niet zolang wij weinig zicht hebben op de mogelijke gevolgen. En hoe hoog mogen de kosten van genetische modificatie eigenlijk zijn? Is dit iets waar de overheid wel in zou moeten investeren of zouden de investeringen overgelaten moeten worden aan de markt en de controle aan de overheid?

Als laatste is de afweging van belang of we deze afwegingen in één keer voor de gehele discussie maken of dat per productieproces of toepassing een afweging gemaakt moet worden.

Stelling M2

De discussie over GGO kan niet met een simpel ja of nee afgedaan worden. Alleen op basis van zo volledig mogelijke informatie en transparantie over de aard en gevolgen van biotechnologie per toepassing, alsmede het nut van de toepassing, zou de maatschappelijke discussie grenzen moeten zetten. Deze grenzen zullen gebaseerd zijn op geldende normen en waarden en dus aan verandering onderhevig zijn. Consumenten moet echter altijd de mogelijkheid houden om voor GGO vrije producten te kiezen. De overheid moet derhalve niet alleen in GGO investeren, maar ook in de ontwikkeling van andere productiewijzen. (Zie stelling 2 uit het hoofdstuk techniek)

De positie van de werknemer

Is de positie van de werknemer in een bedrijf dat aan biotechnologie doet of genetisch gemodificeerde producten gebruikt in de eigen productie, anders dan de positie van een willekeurig andere werknemer? Of, anders gezegd, wat moet de vakbond speciaal voor deze werknemers regelen? Laten we het kort vergelijken met een aantal fictieve werknemers. Een werknemer die met zeer gevaarlijke stoffen werkt, wordt door de bond ondersteund om te verzekeren dat zijn arbeidsomstandigheden zodanig zijn dat hij veilig en gezond kan werken. Een werknemer die in een bedrijf werkt dat opeens wapens gaat maken, wordt ondersteund door de vakbond als hij gewetensbezwaren heeft. De werknemer die bij een bedrijf werkt dat producten maakt die schadelijk zijn voor de gezondheid of milieu, wordt door de bond gestimuleerd om die schade tegen te gaan, die schade om te buigen of te kijken naar alternatieve productiemogelijkheden of de productie van alternatieve producten. Daar hoort een recht op onderzoek bij. Bij alle werknemers tracht de bond te verzekeren dat zij medezeggenschap hebben in de bedrijven. Dat kan alleen als zij ook toegang hebben tot de informatie die nodig is om te beoordelen hoe gevaarlijk hun werk is, wat de strategie van het bedrijf is en wat de gevolgen zijn van het werk dat ze doen. Bij invoering dient de productiemethode getoetst te worden aan de gevolgen voor de arbeidsomstandigheden middels een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E).
De vakbond heeft de maatschappelijke doelstelling te voorkomen dat bedrijven een machtspositie krijgen die nadelig kan zijn voor mensen of werknemers (waar dan ook ter wereld). Deze algemene doelstelling geldt ook voor het voorkómen van ongewenste effecten in economische zin t.g.v. biotechnologie (zie hoofdstuk economie). Een van de instrumenten waarmee de vakbond deze maatschappelijke doelstelling probeert te realiseren is de medezeggenschap in bedrijven. Uiteraard dient het medezeggenschapsorgaan hiertoe goed opgeleid te worden.

Al met al lijkt de vakbond al een aardig instrumentarium in handen te hebben om in bedrijven die aan biotechnologie doen, dan wel gemodificeerde producten (gaan) gebruiken, te verzekeren dat de positie van de werknemer niet slechter wordt. Het ligt eerder aan de voorradige kennis die inzicht biedt in het gevaar en de gevolgen van GGO. Die kennis is er nog niet voldoende. Natuurlijk is het onmogelijk om alle risico’s van tevoren volledig uit te schrijven, maar het is wel noodzaak om een goede risico analyse uit te voeren. Dit kan betekenen dat FNV Bondgenoten stelling neemt tegen projecten die op een aantal criteria zoals in onderstaande stelling op een rij gezet de benodigde inzichten niet voldoende leveren.

Stelling M3

Net als bij andere bedrijven streeft de vakbond ernaar dat werknemers in GGO bedrijven veilig en gezond kunnen werken , een beroep kunnen doen op gewetensbezwaren en dat negatieve maatschappelijke gevolgen op het gebied van gezondheid en milieu voorkómen worden. Bij invoering van werken met GGO worden, naast de algemeen geldende regels, de volgende extra eisen gesteld: · De OR (werknemers) dient inzicht te verkrijgen in de mogelijke gevolgen van de invoering van biotechnologie (of nieuwe biotechnologische processen) in het bedrijf. Tevens moet duidelijk zijn, waar de beschikbare kennis te kort schiet om de risico’s goed te kunnen inschatten.

· De OR moet in staat zijn de plannen van het bedrijf op dit gebied te toetsen aan de grenzen die maatschappij gesteld heeft (zie stelling 2).

· De OR moet in staat zijn de daadwerkelijke gevolgen van de invoering van biotechnologische processen te monitoren; · Bij ongewenste gevolgen moet de productie stop gezet kunnen worden, alternatieven bedacht kunnen worden en bovenstaand proces opnieuw doorlopen worden. De ongewenste gevolgen moeten openbaargemaakt worden, zodat de maatschappelijk vastgestelde grenzen kunnen worden aangepast. · Toegang voor werknemers tot informatie om zelf onderzoek te (laten) doen naar de gevolgen.

Techniek in verhouding tot het sociale

“Een technologische stap vooruit moet geen sociale stap achteruit tot gevolg hebben.” Deze uitspraak van een kaderlid vat een van de grotere bedenkingen tegen biotechnologie goed samen. We weten nog een heleboel dingen niet over biotechnologie, maar de inschattingen die door sommigen worden gedaan als het gaat om de kansen en bedreigingen van de biotechnologie vragen om een laatste stelling. Kansen die genoemd worden, zijn bijvoorbeeld de mogelijkheden om goede medicijnen te maken tegen ziektes die nu niet of nauwelijks te behandelen zijn en mogelijkheden om armoede en honger te bestrijden. Bedreigingen zijn er ook te over, de medicijnen kunnen wel eens heel duur worden, door patenten ontstaan er wellicht nieuwe machtscentra die waarschijnlijk niet tot doel hebben de honger de wereld uit te helpen. (zie hoofdstuk economie paragraaf machtsconcentratie)

Het dilemma dat hier naar voren komt is op welk niveau het nut van GGO voorrang moet hebben. Op bedrijfsniveau spelen commerciële motieven een rol terwijl op maatschappelijk niveau andere overwegingen dan economische of bedrijfstechnische een rol spelen.

Stelling M4

Biotechnologie kan gezien worden als een technologische stap vooruit. Deze stap vooruit moet ook tot uiting komen in een sociale stap vooruit (in ieder geval geen stap achteruit), zowel op de werkvloer als in de maatschappij. Op de werkvloer betekent dit zeggenschap over en inzicht in het productieproces. In de maatschappij betekent dit dat er eisen gesteld worden aan biotechnologische projecten om het risico te minimaliseren en dat er eisen gesteld worden t.a.v. optimale voorlichting en keuzemogelijkheid van de consument.

Stelling M1
FNV Bondgenoten moet volop meedoen in de discussie over genetische modificatie. De primaire rol ligt in de belangenbehartiging van werknemers. Daarnaast dient de bond zich actief op te stellen in de maatschappelijke component van het biotechnologiedebat.

Stelling M2
De discussie over GGO kan niet met een simpel ja of nee afgedaan worden. Alleen op basis van zo volledig mogelijke informatie en transparantie over de aard en gevolgen van biotechnologie per toepassing, alsmede het nut van de toepassing, zou de maatschappelijke discussie grenzen moeten zetten. Deze grenzen zullen gebaseerd zijn op geldende normen en waarden en dus aan verandering onderhevig zijn. Consumenten moet echter altijd de mogelijkheid houden om voor GGO vrije producten te kiezen. De overheid moet derhalve niet alleen in GGO investeren, maar ook in de ontwikkeling van andere productiewijzen. (Zie stelling 2 uit het hoofdstuk techniek)

Stelling M3 Net als bij andere bedrijven streeft de vakbond ernaar dat werknemers in GGO bedrijven veilig en gezond kunnen werken , een beroep kunnen doen op gewetensbezwaren en dat negatieve maatschappelijke gevolgen op het gebied van gezondheid en milieu voorkómen worden. Bij invoering van werken met GGO worden, naast de algemeen geldende regels, de volgende extra eisen gesteld: · De OR (werknemers) dient inzicht te verkrijgen in de mogelijke gevolgen van de invoering van biotechnologie (of nieuwe biotechnologische processen) in het bedrijf. Tevens moet duidelijk zijn, waar de beschikbare kennis te kort schiet om de risico’s goed te kunnen inschatten. · De OR moet in staat zijn de plannen van het bedrijf op dit gebied te toetsen aan de grenzen die maatschappij gesteld heeft (zie stelling 2). · De OR moet in staat zijn de daadwerkelijke gevolgen van de invoering van biotechnologische processen te monitoren; · Bij ongewenste gevolgen moet de productie stop gezet kunnen worden, alternatieven bedacht kunnen worden en bovenstaand proces opnieuw doorlopen worden. De ongewenste gevolgen moeten openbaargemaakt worden, zodat de maatschappelijk vastgestelde grenzen kunnen worden aangepast.

· Toegang voor werknemers tot informatie om zelf onderzoek te (laten) doen naar de gevolgen.

Stelling M4
Biotechnologie kan gezien worden als een technologische stap vooruit. Deze stap vooruit moet ook tot uiting komen in een sociale stap vooruit (in ieder geval geen stap achteruit), zowel op de werkvloer als in de maatschappij. Op de werkvloer betekent dit zeggenschap over en inzicht in het productieproces. In de maatschappij betekent dit dat er eisen gesteld worden aan biotechnologische projecten om het risico te minimaliseren en dat er eisen gesteld worden t.a.v. optimale voorlichting en keuzemogelijkheid van de consument.