Biotechnologie: werkgroep economie

0

Laatste update: 12 februari 2002

Inleiding

In het kader van de discussie biotechnologie en arbeid die door FNV Bondgenoten wordt gevoerd, heeft de werkgroep economie een stuk geschreven waarin de economische belangen die door biotechnologie ontstaan worden belicht. Achtereenvolgens komt aan de orde in welke sectoren biotechnologie wordt toegepast, waarom men gebruik wil maken van biotechnologische technieken, onder welke voorwaarde men gebruik kan maken van biotechnologische technieken, machtsconcentraties, invloed van machtsconcentraties op werkgelegenheid en voedselveiligheid, biotechnologie als oplossing voor het wereldvoedselprobleem en de invloed van de terughoudendheid van Nederland op de ontwikkeling van biotechnologie.

Wie houdt zich bezig met biotechnologie?

Om een beeld te krijgen van de sectoren, waarin gebruik wordt gemaakt van biotechnologie, volgt hieronder een overzicht voorzien van de belangrijkste activiteiten.

Zaadveredelingsbedrijven zaadproductie van alle mogelijke gewassen agrochemie productie van bestrijdingsmiddelen en bemesting dierlijke reproductie m.n. het fokken van belangrijke consumptiedieren als pluimvee, melkvee, slachtvee, vis enz. de vee/visvoerindustrie productie van krachtvoer / premixen food processing de ingrediënten, halffabrikaten productie en voedingssupplementen voedingsmiddelen industrie productie van voedingsmiddelen uit ingrediënten en halffabrikaten chemie toepassing biotechnologie in chemische industrie; bijv. gebruik enzymen voor chemische omzettingen farmaceutische industrie productie geneesmiddelen

overige non-food industrie zoals papier- / textiel industrie die natuurlijke hernieuwbare grondstoffen benutten als bomen, katoen

Redenen om gebruik te maken van biotechnologie

De redenen voor bedrijven om over te stappen op biotechnologische productiewijzen heeft veel te maken met de huidige marktsituatie. Daarom volgt hieronder eerst een schets van de marktsituatie.
In de OECD landen (Noord Amerika, Europa, Japan, Australië en N.Zeeland), de gebieden waar 70-80% van de wereldwijde koopkracht is geconcentreerd, is sprake van een verzadigde markt als het gaat om een hele serie van basisproducten, waaronder voedsel. Voor de meeste van deze producten en sectoren gelden groeicijfers van 0 tot 4 %. Dit proces van marktverzadiging loopt al sinds de jaren ’80. Deze marktverzadiging leidt tot verdringingsconcurrentie onder de betrokken productiebedrijven. In bijna alle sectoren heeft dit geleid tot fusies en overnames om sterkere internationale marktposities op te bouwen: steeds vaker geldt de regel dat een klein aantal concerns internationaal meer dan 50% van de totale markt beheerst. Kleinere bedrijven kunnen zich slechts in niches (kleinere regionale markten) of op specifieke producten handhaven.

Marktverzadiging leidt tot verdringingsconcurrentie en concentratie.

Door de verzadigde markten is er nog een verandering opgetreden. Voorheen waren markten aanbodgestuurd, tegenwoordig is voor veel markten de vraag bepalend.
Plastisch uitgedrukt: vroeger aten we met de seizoenen mee, nu sluit The Greenery contracten met grote winkelketens waarin is afgesproken dat het hele jaar dezelfde verse groenten en fruit geleverd worden. Het is aan The Greenery om de aanvoer te organiseren en ervoor te zorgen dat producten conform de afgesproken normen zijn en zoveel mogelijk standaard.

De markten zijn tegenwoordig vraag-gestuurd

Behalve het feit dat de markt inmiddels voornamelijk vraag-gestuurd is, is de doelgroep ook veranderd in vergelijking met de jaren ’80. De gemiddelde bevolking van nu is ouder, meer bemiddeld en koopt niet meer van hetzelfde, maar koopt beter. Tevens wordt nu meer gelet op gezondheid en kwaliteit van leven.

De huidige doelgroep hecht meer belang aan kwalitatief hoogwaardige producten die bijdragen aan de gezondheid.

Bovenstaande 3 punten leiden ertoe dat toonaangevende bedrijven in diverse sectoren zoeken naar wegen om beter te kunnen voldoen aan nieuwe marktvragen. Biotechnologie lijkt hiertoe een mogelijkheid te bieden. M.b.v. biotechnologie kunnen producten geproduceerd worden die beter aan de nieuwe vraag voldoen. Redenen voor bedrijven om in de huidige marktsituatie voor biotechnologische productiewijzen te kiezen, hebben dus te maken met het verbeteren van de concurrentiepositie en het beter aan willen sluiten bij de vraag: · Productieprocessen kunnen m.b.v. biotechnologie goedkoper gemaakt worden en verkort worden. · m.b.v. biotechnologie kunnen ingrediënten/producten eindeloos identiek vermenigvuldigd worden · m.b.v. biotechnologie kunnen nieuwe producten met verbeterde eigenschappen veel sneller ontwikkeld worden · stoffen/ingrediënten kunnen m.b.v. biotechnologie specifiek op maat voor eindgebruikers gemaakt worden

· m.b.v. biotechnologie kunnen nieuwe waardes aan bestaande producten toegevoegd worden (extra gezondheid, betere smaak, kleur enz.)

Stelling E1:

Er is sprake van een verzadigde markt. Productieprocessen kunnen m.b.v. biotechnologie goedkoper gemaakt worden en verkort worden. Biotechnologie wordt daarom de moneymaker van de 21e eeuw.

De markt in de OECD landen is weliswaar verzadigd, de markt in ontwikkelingslanden is dat niet. Theoretisch zou hier dus een groei van de markt gerealiseerd kunnen worden. Echter, vanwege de zwakke economische vooruitzichten in de ontwikkelingslanden is dit niet het geval. Toepassing van nieuwe technologieën lijkt een van de weinige mogelijkheden om nieuwe groeimarkten te creëren. Te verwachten valt dat stevig om deze nieuwe posities gevochten zal worden, want veel terreinen zijn randgebieden van bestaande sectoren.

Ook wordt geregeld biotechnologie als oplossing voor het wereldvoedselprobleem aangedragen. Vanzelfsprekend ziet de industrie hier veel in, want dit biedt een nieuwe afzetmarkt. Of biotechnologie ook echt de oplossing is, staat echter erg onder discussie. Volgens velen wordt honger niet door slechte gewassen en/of productiewijzen veroorzaakt, maar door oorlog en een al te vrije marktwerking. De oplossing moet volgens hen niet gezocht worden in aanpassing van gewassen en/of productie methoden, maar in oplossing van de problemen die tot oorlog leiden en een betere regulering van de marktwerking. Zo lang deze oplossingen niet voorhanden zijn, zou biotechnologie een uitkomst kunnen bieden.

Stelling E2:

Indien de biotechnologie bedrijven zich niet gedragen als monopolisten kan biotechnologie een bijdrage leveren in de oplossing van het voedselprobleem in derde wereld landen.

Voorwaarden om gebruik te kunnen maken van biotechnologie

Het proces dat vooraf gaat aan het op de markt komen van een product dat vervaardigd is m.b.v. biotechnologie is langdurig (zie hiervoor ook de paragraaf regelgeving in het hoofdstuk techniek). Onderzoek, vergunningaanvraag, evt. patent aanvraag (zie bijlage 2) en het produceren van het product kan makkelijk 5 jaar duren. Al die tijd wordt er geld geïnvesteerd en wordt er nog geen geld verdiend. Al dit geïnvesteerde geld moet terugverdiend worden op de verkoop van het uiteindelijke product. Er wordt dan ook altijd gekozen voor de ontwikkeling van producten met een grote afzetmarkt, of voor producten waar een enorme winstmarge op zit. En het liefst beide natuurlijk. Vanwege de hoogte van de investeringen en het feit dat het lang duurt voor deze worden terug verdiend, is het niet voor ieder bedrijf weggelegd om over te stappen op een biotechnologische productiewijze. Om een voldoende buffer te creëren om deze investeringen te kunnen dragen, treedt dan ook een verregaande concentratie van bedrijven op (zie bijlage 1). Dit kunnen bedrijven binnen dezelfde sector zijn, maar ook geregeld fuseren bedrijven die uit verschillende sectoren afkomstig zijn. Een grote zak met geld is echter niet voldoende. Marketingmacht en marketingkanalen zijn in de verzadigde markten uiterst belangrijke factoren geworden. Het gaat erom de nieuwe producten te combineren met het vermogen merken op te bouwen, een product op grote schaal te introduceren en vervolgens met veel ondersteuning door middel van reclame en brede distributie internationaal een marktaandeel te geven. Dat is slechts weg gelegd voor de grote bedrijven, waardoor de neiging te fuseren verder versterkt wordt.

Kortom, geld, faciliteiten en marketingstructuur zijn voorwaarden om biotechnologie te kunnen toepassen. Dit leidt tot overnames en fusies van bedrijven, wat gepaard gaat met machtsconcentratie. Het is begrijpelijk dat bedrijven zichzelf willen indekken tegen de risico’s van de grote investeringen, maar in veel gevallen is het maar de vraag of de bijbehorende machtsconcentratie wel zo gewenst is.

Machtsconcentraties en de gevolgen t.a.v. werkgelegenheid en voedselveiligheid

Machtsconcentratie

Biotechnologie is een techniek die duur, grootschalig en kapitaalsintensief is. Daardoor is de techniek niet voor iedereen toegankelijk. Bijvoorbeeld landbouwers hebben zelf niet de kans om mee te doen in deze ontwikkeling. Hierdoor wordt ook de concentratie van bezit op het gebied van zaden en genetisch materiaal geconcentreerd bij biotechnologiebedrijven. Dit zou de 2e concentratiegolf in de landbouw genoemd kunnen worden. De eerste was de Groene Revolutie in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Deze zorgde voor een enorme concentratie van kennis over rijstrassen en ander landbouwgewassen. Vooral de grote gewassen zijn uitgebreid onderzocht op de mogelijkheden om met behulp van kunstmest en bestrijdingsmiddelen een grotere opbrengst te laten leveren.
Tegelijkertijd is er een grote concentratie in de landbouw opgetreden onder het motto van modernisering. Ook in Nederland heeft dit gevolgen gehad. Er worden steeds minder soorten geteeld in de landbouw. Van suikerbieten zijn het nog maar 2 variëteiten. Oftewel: Er heeft een gigantische genetische erosie plaatsgevonden.

Om daar wat aan te doen zijn zogeheten genenbanken opgericht om het genetisch materiaal van de aarde te conserveren. Het merendeel van die genenbanken is terechtgekomen in Westerse landen, waar materiaal bewaard wordt uit broncentra van zuidelijke landen. Genetisch kolonialisme is het al genoemd. Het zal niemand verbazen dat van de grote gewassen de meeste soorten al bewaard worden door multinationals, die daarmee de toegang hebben over genetisch materiaal dat soms in de bronlanden al verdwenen is door de monocultuur van de groene revolutie. De machtsconcentratie bestaat dus uit: · Concentratie van kennis en gebruik van bestaande gewassen (Groene Revolutie) · Oprichting genenbank die grotendeels het bezit is van multinationals

· Ontwikkeling GGO’s alleen mogelijk door grote kapitaalsintensieve bedrijven

Negatieve effecten en/of risico’s van machtsconcentratie

Doordat biotechnologie een kapitaalsintensieve technologie is, worden prioriteiten gelegd bij gewassen waar veel aan te verdienen valt en wordt er weinig aandacht besteed aan kleinere gewassen. De mogelijke bijdrage van biotechnologie in het terugdringen van bestrijdingsmiddelengebruik bij andere gewassen, zoals bijvoorbeeld de doperwt in Nederland, is niet interessant. Met als gevolg dat de bestrijdingsmiddelen die al lang hadden moeten verdwijnen in de teelt van die erwt, nog steeds worden gebruikt.
Doordat biotechnologie niet voor iedereen toegankelijk is hebben concerns monopolies op bepaalde markten. De negatieve effecten hiervan hebben we onlangs ervaren bij de toepassing van een Aids-remmer. Deze Aids-remmer, waarop de producent patent had, bleek veel te duur voor landen als Zuid-Afrika. Er waren wel goedkope generieke producten met min of meer dezelfde werking voor handen, maar de producent van de Aids-remmer heeft op basis van zijn patent geprobeerd te voorkomen dat deze alternatieven in Zuid-Afrika werden toegelaten.

Stelling E3:

Verdere toepassing van biotechnologie leidt tot een verder machtsconcentratie van bedrijven. Dit is niet wenselijk. FNV Bondgenoten moet zich inzetten om deze machtsconcentratie tegen te gaan.

Werkgelegenheid

De gespecialiseerde biotechnologie bedrijven zijn doorgaans kleine tot middelgrote bedrijven. De statistieken over het totaal aantal gespecialiseerde biotechnologiebedrijven geven de volgende cijfers:

USA (1999) 1273 bedrijven samen 162.000 werknemers: gemiddeld 126.
Europa (1999) 1570 bedrijven samen 61.104 werknemers: gemiddeld 39

Hoewel het aantal mensen dat in deze sector werkt volgens de statistieken dus niet zo groot is, ligt dat in de praktijk enigszins anders. Grote multinationals zijn direct of indirect betrokken bij deze bedrijven. In de kleine biotechnologie bedrijven wordt het onderzoek gedaan, dat vervolgens door grote multinationals gebruikt wordt om nieuwe producten op de markt te brengen. In feite werken dus veel meer mensen met biotechnologie dan de geregistreerde werknemers uit de biotechnologie bedrijven en zijn de belangen veel groter dan de omvang van de sector doet verwachten.

In de bijlage 1 zien we een concentratie van bedrijven die zich direct en indirect bezig houden met biotechnologie. Tevens wordt duidelijk dat er sprake is van een zekere “herverkaveling” tussen sectoren en tussen concerns. Dit impliceert dat er sprake is van verschuivingen van machtsposities en daarmee verschuivingen van werkgelegenheid. Opgemerkt dient te worden dat eventuele werkgelegenheidsconsequenties waarschijnlijk vooral indirect zullen zijn: groei of daling vindt niet plaats door het inzetten van biotechnologie, maar door de veranderende posities van bedrijven.

De voorlopige conclusie is derhalve dat biotechnologie als zodanig geen directe gevolgen voor de werkgelegenheid zal hebben. Echter door veranderde machtsposities gerelateerd aan toepassing van biotechnologie, zal sprake zijn van herstructurering van bedrijven en sectoren en daarmee een verschuiving van werkgelegenheid. Er zal daarom sprake zijn van een indirecte relatie tussen biotechnologie en werkgelegenheid. Daarbij is het de vraag of dit soort processen te sturen en beheersen zijn of ongecontroleerd plaats vinden. In dit kader wordt in ieder geval de oproep gedaan om de mogelijke effecten van biotechnologie op de werkgelegenheid nader te onderzoeken.

Stelling E4:

Verdere toepassing van biotechnologie leidt tot concurrentie tussen sectoren en bedrijfskolommen en daarmee (indirect) tot verschuiving van werkgelegenheid. Vakbonden moeten meer onderzoek (laten) doen naar de mogelijke effecten van biotechnologie op werkgelegenheid.

Voedselveiligheid

Dankzij moderne productietechnieken, zo wordt geclaimd, is ons voedsel veiliger dan ooit. En als het gaat om de hygiëne van een product, de controle op ongewenste stoffen, de houdbaarheid en de kennis over de herkomst van de grondstoffen is dat waar. En toch ook niet. Hoewel het vroeger niet gemakkelijk was om te traceren waar de oorsprong van de verontreiniging in de voedselketen zat, bereikte deze verontreiniging door de beperkte schaal van productie ook maar een beperkt aantal mensen. Tegenwoordig lopen, door de enorme schaalvergroting die in de productie heeft plaats gevonden, grote aantallen mensen een risico als er sprake is van een verontreiniging in de voedselketen. De dioxineaffaire in België, begin 1999, is hiervan een goed voorbeeld. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen om de voedselveiligheid te garanderen, glipt er blijkbaar wel eens iets doorheen wat meteen tot een enorme ramp kan leiden. Om te voorkomen dat het een enorme ramp werd, is er een gigantische hoeveelheid voedsel teruggehaald uit de supermarkten. Plotseling was het niet meer te garanderen dat het voedsel veilig was. Plotseling was er een risico voor zeer veel mensen. De kans op dit soort rampen is een gevolg van de schaalvergroting die in de voedselproductie is opgetreden. De vraag omtrent zo’n rampenrisico moet ook uitdrukkelijk gesteld worden bij toepassing van genetisch gemodificeerd voedsel. Is er sprake van voldoende voorzorgsmaatregelen om de volksgezondheid te garanderen, of blijft de kans dat er onbedoelde zaken doorheen glippen, altijd aanwezig. Ook in geval van biotechnologie.

In het hoofdstuk techniek wordt de Nederlandse regelgeving besproken en wordt een stelling geponeerd ten aanzien van deze regelgeving.

In de concentratie op de grondstoffenmarkt gebeurt iets dat de veiligheid van voedsel op een andere manier onder druk zet: als een beperkt aantal supermarktketens de prijsbepalende vragers worden op de wereldmarkt van voedingsmiddelen, dan gaan de grote producenten zoals Unilever nog scherper naar hun prijzen kijken. Ze moeten wel, want Albert Heijn knaagt aan de marge. En voor de beurs mogen je winstmarges niet dalen. Daarmee krijgen de producenten van landbouwproducten een nieuwe golf over zich heen om de kostprijzen lager te maken. En de druk om dan gebruik te gaan maken van gemodificeerde gewassen is hoog. Extra reden dus om alert te zijn op het rampenrisico.

Invloed terughoudendheid van Nederland

Uit het debat van de commissie Terlouw blijkt dat Nederlanders terughoudend zijn t.o.v. toepassing van biotechnologie in voedsel. En Nederlanders zijn niet de enige, in heel Europa heerst een zekere terughoudendheid. Toch is dat niet overal het geval. De acceptatie van biotechnologie is per continent anders.
Aan de hand van de omvang van de teelt van diverse genetisch gemodificeerde gewassen is duidelijk dat de mate van acceptatie (of, als men het anders ziet, nog niet ontwikkeld protest) per continent anders ligt.

Tussen 1996 en 2000 is het wereldwijde areaal waarop gmo-gewassen worden geteeld toegenomen van 2,6 tot 42 miljoen ha. (dat is 10 keer de oppervlakte van Nederland)

De 42 miljoen ha gmo-gewassen in 2000 is als volgt verdeeld:

Per soort gewas Per land 1. Soja 53 % 1. USA 69 % 2. Mais 27 % 2. Argentinië 14 % 3. Katoen 9 % 3. Canada 10 % 4. Raapzaad 8 % 4. China 3 % 5. Tabak 2 % 5. Brazilië 3 %

6. Overig 1 %

Het is echter geen eenduidige ontwikkeling. De explosieve groei van het areaal gmo-soja begin jaren ’90 (van 2-3% van het totale areaal soja in 1996 tot 50% in 1999) is vervolgens veel langzamer voortgezet naar 60% in 2001.
In het geval van maïs lag de piek bij 32% van het areaal in 1999 en is het teruggelopen naar 23% van het areaal in 2001. Het verzet vanuit de Europese consumenten heeft ook in de USA voor extra reserve gezorgd.

De terughoudendheid in gebruik van biotechnologische technieken heeft vooral betrekking op toepassing in voedsel. Niet voor niets vindt de toepassing van naar schatting 90% van alle biotechnologische vindingen plaats in de farmaceutische industrie. Daarvoor is een combinatie van factoren verantwoordelijk: · een beperkt aantal grote concerns met stevige winstmarges · veel ervaring in langdurige researchprocessen en begeleiding naar introductie

· inzet van biotechnologie voor productie van medicijnen levert geen fundamentele discussie op.

Het is dus maar de vraag in hoeverre de terughoudendheid t.o.v. biotechnologie toegepast in voedsel de ontwikkelingen m.b.t. biotechnologie in het algemeen beïnvloedt. In het hoofdstuk maatschappij wordt dan ook de stelling geponeerd dat men niet eenvoudigweg voor of tegen biotechnologie kan zijn (zie hoofdstuk maatschappij, paragraaffundamentele verandering van organismen.)

Nogmaals de stellingen:

Stelling E1: Er is sprake van een verzadigde markt. Productieprocessen kunnen m.b.v. biotechnologie goedkoper gemaakt worden en verkort worden. Biotechnologie wordt daarom de moneymaker van de 21e eeuw.

Stelling E2: Indien de biotechnologie bedrijven zich niet gedragen als monopolisten kan biotechnologie een bijdrage leveren in de oplossing van het voedselprobleem in derde wereld landen.

Stelling E3: Verdere toepassing van biotechnologie leidt tot een verdere machtsconcentratie van bedrijven. Dit is niet wenselijk. FNV Bondgenoten moet zich inzetten om deze machtsconcentratie tegen te gaan.

Stelling E4: Verdere toepassing van biotechnologie leidt tot concurrentie tussen sectoren en bedrijfskolommen en daarmee (indirect) tot verschuiving van werkgelegenheid. Vakbonden moeten meer onderzoek (laten) doen naar de mogelijke effecten van biotechnologie op werkgelegenheid.

Bijlage 1: Overzicht belangrijke biotechnologie bedrijven (of bedrijven die biotechnologie inkopen) per sector.

Zaadbedrijven: omzet 1999 Land van herkomst Pioneer Hi-Bred (dochter van Du Pont) $ 1.850 mln USA Monsanto ( nog even 86% Pharmacia) $ 1.700 mln USA Syngenta (voortgekomen uit Novartis en Zeneca) $ 947 mln Zwitserland Groupe Limagrain $ 700 mln Frankrijk De wereldmarkt voor commerciële zaden is in 1999 ongeveer $ 25 miljard groot.

De grootste 4 hebben samen 20% van de markt. En hun belang groeit door acquisities verder.

Agrochemie

omzet 2000 Land van herkomst Syngenta $ 7.410 mln Zwitserland Monsanto $ 5.643 mln USA DuPont $ 4.292 mln USA Aventis $ 4.034 mln Frankrijk BASF $ 3.611 mln BRD Dow $ 3.033 mln USA

Bayer $ 2.456 mln BRD

Eind 2001 heeft Bayer de agrochemie van Aventis overgenomen ( toestemming van de kartelautoriteiten daargelaten). Het zou met rond de $ 6 miljard dollar omzet agrochemie tot de top 3 gaan behoren. Samen hebben deze 7 grootste bedrijven een wereldwijd marktaandeel van tegen de 90% van de agrochemiesector.

Farmacie omzet 2000 Land van herkomst Pfizer $ 23,1 mld USA Glaxo SmithKline $ 22,0 mld UK Merck $ 16,5 mld USA Astra Zeneca $ 14,3 mld UK/Zweden Bristol-Myers Squibb $ 13,3 mld ?

Novartis $ 12,4 mld Zwitserland

Deze 6 bedrijven hebben een gezamenlijk marktaandeel van de wereldmarkt van medicijnen van rond de 35%. In 1981 hadden de top 6 samen een marktaandeel van 16%. En het concentratieproces schrijdt per jaar verder.

Food Processing

omzet 2000 Land van herkomst Cargill $ 50 mld USA

Archer Daniels Midland $ 45 mld USA

Ook hier een kleine selecte groep bedrijven die in toenemende mate de handel en verwerking van landbouwgrondstoffen domineert. Aanvankelijk vooral in Noord Amerika en Europa, maar nu ook wereldwijd door steeds sterkere uitbouw via overnames in Latijns Amerika en Azië.

Deze beide bedrijven hebben een grote voorsprong op tal van branchegenoten en zijn beide uiterst actief betrokken bij de toepassingen van biotechnologie. Cargill heeft recentelijk z’n zaadactiviteiten verkocht aan Monsanto en is met Monsanto een joint venture aangegaan onder de naam Renessen. Dit bedrijf is operationeel vanaf 1 januari 1999 en is op basis van een budget van $ 150 miljoen per jaar druk aan de slag met research en testen van een hele reeks grondstoffen die op basis van kwaliteitsspecificaties genetisch gemodificeerd zijn (o.a. maïs, tarwe, gerst, rijst, katoen, oliehoudende zaden). De eerste 5 jaar is uitgetrokken als aanloopfase en rond 2004/2005 moet de eerste commerciële productie van start gaan. ADM heeft recentelijk z’n concernlogo aangepast om de accentverlegging in de strategie te benadrukken: van simpele handelaar en verwerker is het nu bezig met de transformatie tot een concern dat als taak ziet ‘ to unlock the potential of nature to improve the quality of life”. (“Het vrijmaken van de mogelijkheden van de natuur, om de kwaliteit van het leven te verbeteren”)

De belangrijkste bezigheid van ADM is de productie m.b.v. biotechnologie van neutraceuticals en van een heel scala van vitamines die uit natuurlijke grondstoffen gewonnen worden via fermentatie en enzymtechnieken.

Voeding

In het jaar 2000 werd de concentratie die al bestond een tandje verder geholpen door mega-overnames: Unilever kocht Bestfoods voor $ 20,5 miljard Philip Morris/Krat Foods kocht Nabisco voor $ 15 miljard. General Mills kocht Pillsbury voor $ 10,5 miljard

Nestle kocht Ralston Purina voor $ 10 miljard

Dat geweld leidt tot de volgende rangschikking: Omzet voeding 2000 Nestle $ 49 miljard Philip Morris/ Kraft $ 34 mld (excl. tabak en bier (Miller)) Unilever $ 30 mld (incl. Best Foods, excl. Wasmiddelen) Coca Cola $ 19 mld Pepsi Cola $ 18 mld Masterfoods(voorheen Mars) $ 16 mld Danone $ 14 mld

De eerste drie overheersen de voedingsmarkt aanzienlijk.

Een zelfde patroon van concentratie en enkele dominante bedrijven is zichtbaar in sectoren als de papiersector, de veevoersector enz.

Waar de farmacie-concerns in hun beleid al volop gebruik maken van moderne biotechnologie zijn grote voedingsconcerns als Nestle en Unilever heel behoedzaam geworden door de kritiek gedurende de afgelopen jaren. De consumentenacceptatie is hen nog niet groot genoeg en bovendien onduidelijk hoe zich dit de komende jaren zal ontwikkelen. Een en ander zal mede afhankelijk zijn van houding van de milieubeweging. Het publieke debat in Nederland heeft in ieder geval aangetoond dat de Nederlandse bevolking gereserveerd staat ten opzichte van een verdere toepassing van biotechnologie in de voedselketen. Toch hebben alle grote concerns in de diverse sectoren al grote belangen opgebouwd in de biotechnologie. Alleen de commerciële toepassingen laten ze nog even wachten. Het tij moet eerst beter zijn en de acceptatie groter en stabiel. De mogelijkheden zijn b.v. in de voeding groot en uiterst interessant voor de betrokken bedrijven. Terwijl voor de meeste gebruikelijke producten nauwelijks groei te realiseren valt, geldt dat wel voor probiotische of functional food producten. Dat zullen nooit massaproducten worden, ze zullen hooguit een deel van een productmarkt bestrijken, maar er vallen van die interessante marges op te behalen. Zie de voorbeelden van de pro-biotische melk en de cholesterolverlagende margarine. De pro-biotische melk wordt sinds 1995 op de markt gebracht door Nestle ( LC-1), Danone (Actimel), Yakult en bereikte tussen 1996 en 2000 een groei van 500%.

Zoals al gezegd: voorwaarde is veel geld voor R&D en marketing en een sterk merk en ruime distributie.

Bijlage 2: het strategisch belang van het patentrecht

In de biotechnologie ontmoeten twee rechten elkaar. Dat is het patentrecht en het kweekrecht. De vraag wat nu precies tot wat behoort is nog steeds in discussie en onderhevig aan jurisprudentie. Deze notitie handelt alleen over het patentrecht. Een belangrijk onderscheid tussen beide rechten is, dat binnen het kwekersrecht een kweker voor eigen gebruik wel mag vermeerderen, maar niet vermarkten. In het patentrecht mag de vermeerdering niet plaatsvinden zonder toestemming.

Het octrooirecht in Nederland

Het octrooi (of het patent: octrooi en patent zijn synoniemen: de octrooiraad is dan ook aan de patentlaan in Rijswijk gezeteld) is in Nederland de enige juridische bescherming voor technische uitvindingen en ontwikkelingen. Het doel van de regelgeving is om ontwikkelde kennis onder de aandacht te brengen van anderen opdat die anderen daarop kunnen voortborduren. Het doel is economisch en het middel juridisch. De houder van een octrooirecht heeft een monopoliepositie en kan anderen verbieden dat recht te gebruiken. Het octrooirecht kan zeker niet gebruikt worden als middel voor geheimhouding. Een octrooi aanvragen betekent het publiek maken van een uitvinding.

Wat is octrooibaar

Octrooibaar is: · een nieuw uniek product · een tot nu toe onbekende verbetering van een product · een nieuw productieproces of nieuwe werkwijze

· een tot nu toe onbekende verbetering van een productieproces

Een octrooi wordt verleend als het aan 4 eisen voldoet. Het product of het proces moet nieuw zijn en nergens buiten de eigen organisatie bekend zijn. Ook moet er sprake zijn van een zekere inventiviteit: het moet niet al te zeer voor de hand liggen. Er moet sprake zijn van industriële toepasbaarheid en verder moet een en ander nawerkbaar zijn. Er kan dus geen octrooi worden verleend op een vormgeving, een idee of een theorie. Evenmin kan octrooi worden verleend voor een kunstuiting ( een schilderij, een foto, een beeld of illustratie). Kortom er is een helder onderscheid tussen auteursrecht en octrooirecht. Een octrooi wordt per land aangevraagd. Een “wereldoctrooi” bestaat niet. Als over de gehele wereld octrooi aangevraagd zou moeten worden zou een aanvraag in ieder land moeten worden gedaan. Er zijn twee mogelijkheden om dat wat gemakkelijker te maken. Er is een Europese octrooi-procedure en er is de zogenaamde PCT procedure. Hierbij kan men voor 16 landen de gehele of voor 90 landen het eerste gedeelte van de procedure bij één instantie doorlopen.

De planning van een dergelijke procedure ziet er als volgt uit:

Dag 1 Eerste indiening nationaal (NL) of regionaal (EP) 1 jaar Internationale indiening, PCT aanvrage 1½ jaar Publicatie van de aanvrage ± 2 jaar IPER : go/no go beslissing 2½ jaar Regionale/nationale indiening

4 jaar Verlening van het patent

Het strategisch belang

Er zijn twee manieren voor een arbeidsorganisatie om een nieuwe vinding te beschermen: geheimhouding of patenteren

Redenen om te patenteren zijn: · afschermen van de eigen markt · concurrent van de markt houden · naamsbekendheid · wisselgeld

· royalty’s

Redemem om niet te patenteren zijn: · de procedure kost tijd · het weggeven van kennis · er kan niet op inbreuk gecontroleerd worden

· kosten/baten analyse van de patentaanvraag

Conclusie

Ondernemingen proberen hun nieuwe vindingen zo veel mogelijk te patenteren. Er is een levendige handel in patenten. Er wordt geen patent aangevraagd als geheimhouding vereist is of als een en ander onvoldoende oplevert.